2007: de canon komt. 2008: of niet?

De canon van Nederlandse geschiedenis werd bij de presentatie bejubeld. Nu ligt hij onder vuur. Waarom een canon verplichten? Discussieer liever over geschiedenis in de klas.

Iedereen hield van de canon, vorig jaar. De canon van Nederland, met de vijftig belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en cultuur, die alle schoolkinderen zouden moeten kennen. Van de hunebedden via Van Gogh en Anne Frank naar de euro.

Nu staat alles weer op losse schroeven. Gezaghebbende historici keren zich ertegen.

En dat terwijl minister Plasterk van Onderwijs (PvdA), in de Ridderzaal nota bene, in juli 2007 nog had gezegd dat de canon verplichte lesstof moet worden. Nederlanders weten amper meer wie Willem van Oranje was, of Spinoza. De canon moet die kennis terugbrengen in de klas.

Het ministerie ging alvast voortvarend aan het werk. Er kwamen wandkaarten van de vijftig ‘vensters’ van de canon. En puzzels, linialen, spellen en boeken. Er werden filmpjes bij gemaakt. De maker van de canon, hoogleraar middeleeuwse literatuur en voormalig president van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen Frits van Oostrom, werd in alle media uitvoerig geïnterviewd.

Afgelopen vrijdag kwam de kentering. Toen kwam een groep historici rondom hoogleraar vaderlandse geschiedenis Piet de Rooij ineens met harde kritiek op de canon. Hij moet niet verplicht worden op school, zo schreef de groep in een brief aan de Tweede Kamer. De politiek moet niet aan scholen voorschrijven wat die moeten doceren. Ook het CDA is tegen verplichtstelling van de canon, omdat het de vrijheid en identiteit van scholen inperkt. Volgens Kamerlid Jan Jacob van Dijk zal zijn partij tegen stemmen als de Kamer erover moet oordelen. Dat is naar verwachting begin komend jaar.

Piet de Rooij heeft de kritiek geïnitieerd. Hij is niet de minste. Hij maakte in 2005 zelf een soort canon. Een indeling van de Nederlandse geschiedenis in tien tijdvakken, waarmee de scholen inmiddels verplicht werken. De Rooij noemt de nieuwe canon „een zak aardappelen”. Niks mis mee, maar hij moet niet verplicht worden. Het is een te lukrake verzameling, die ook nog eens niet is in te passen in de tien tijdvakken die al gebruikt worden in de klas.

Zo zit er bijvoorbeeld heel veel niet-geschiedenis in de canon, zoals de aardgasbel en de haven van Rotterdam, zegt De Rooij. En het zijn ook niet de belangrijkste dingen uit de geschiedenis, want anders stond planetariumbouwer Eise Eisinga er niet bij. En dan zit er ook nog eens heel veel níét in de canon. Zoals de kruistochten, de Koude Oorlog. „Dat is geen probleem als de canon slechts een leidraad is. Maar zodra hij verplicht wordt, ga ik dingen missen.”

Het idee is dat scholen zelf elementen aan de les toevoegen. Maar die tijd hebben scholen helemaal niet, zegt De Rooij. Ook op de pabo waar docenten worden opgeleid, is er amper tijd voor geschiedenis. „Wat veel scholen dus zullen doen, is alleen de canon geven, en verder niets. Maar als je dat doet, krijg je een scheef soort geschiedenis.”

Jan de Wit, voorzitter van de Vereniging van geschiedenisdocenten, is het met De Rooij eens. Hij vindt de canon ook een mooi werkstuk. „Maar er moet niet gezegd worden: we knallen de hele canon nog bíj de tijdvakken van De Rooij.” Liever heeft De Wit dat de canon verplicht wordt „waar dat mogelijk is – dat zou een mooi compromis zijn”.

Kamerlid Staf Depla van de PvdA wordt er een beetje moe van. „Ik dacht dat we hadden besloten dat deze canon het moest worden.” Hij snapt het ook niet zo. „De canon schrijft niet voor wie belangrijker is, Willem van Oranje of Annie M.G. Schmidt. Wij zeggen alleen dat kinderen ze beiden moeten kennen.”

Volgens Depla gebeurt hetzelfde met de kerndoelen voor rekenen en taal die momenteel worden geformuleerd. „Daarvan zegt de politiek ook niet ‘kies maar of je wilt optellen of aftrekken’. Scholen moeten gewoon allebei doen.”

Depla vindt de canon nodig. Hij wil af van de huidige praktijk waarin examenmaker Cito grotendeels bepaalt wat kinderen moeten leren. „Nu wordt min of meer in een achterkamertje bepaald wat kinderen moeten kennen. Over de canon wordt tenminste nog openlijk gedebatteerd.”

De maker van de canon, Frits van Oostrom, verwijst naar de website van de Stichting ‘entoen.nu’, die de canon met geld van het ministerie promoot. Van Oostrom is voorzitter van die stichting. „Ik kan niet op elke brief gaan reageren.”

Inderdaad, schrijft Van Oostrom op die site, de canon gaat niet alleen maar over geschiedenis. Hij is vakoverstijgend, en sommige vensters kunnen dus bij andere vakken aan bod komen. Maar dat is juist de bedoeling, „om de traditionele verkokering in de hoofden van de leerlingen tegen te gaan”. Van Oostrom zegt dat de canon prima in het bestaande onderwijs te integreren is. Binnenkort verschijnt een schema op de site dat uitlegt hoe scholen het kunnen doen. „Een goede leraar zal er zijn hand niet voor omdraaien.” Komend jaar volgt een grootscheepse campagne om de canon bij scholen bekend te maken.

Historicus Adriaan van Veldhuizen, onlangs gekozen tot ‘de nieuwe Maarten van Rossem’ zegt: „Kies nou gewoon een canon, het maakt niet uit welke.” Volgens de Leidse promovendus in de vaderlandse geschiedenis heeft De Rooij gelijk dat het niet goed is stof voorgoed in een canon te laten stollen. „Maar een beetje structuur is ook wel makkelijk.”

In het debat wordt een beetje uit het oog verloren om wie het eigenlijk gaat: jongens en meisjes die überhaupt niet zo op geschiedenis zitten te wachten, vindt Van Veldhuizen. „Zij hebben er niet zoveel aan als groepen ruziënd over straat rollen. Ga liever in de klas over de canon discussiëren. Dat maakt geschiedenis juist leuk.”

Rectificatie / Gerectificeerd

correcties en aanvullingen

Canon

In het artikel 2007: de canon komt. 2008: of niet? (6 november, pagina 2) staat dat historicus Piet de Rooij begonnen is met kritiek op de geschiedeniscanon van Frits van Oostrom. Dit is niet juist. Vakdidactici onder leiding van Arie Wilschut van het instituut voor geschiedenisdidactiek hebben de discussie over de canon geëntameerd.