Wat als het elastiekje te ver is uitgerekt?

EU-lidstaten hebben allerlei plannen om hun economieën zo min mogelijk te laten schaden door de financiële crisis.

Dat kost geld. Toch stelt geen land zijn begroting bij.

Maandagavond, op de bijeenkomst van de vijftien ministers van Financiën van de eurolanden in Brussel, werd een rondvraag gehouden. Welke minister is van plan om grootscheepse aanpassingen te doen in zijn begroting? Extra publieke uitgaven, enorme bezuinigingen – zo gek zou dat niet zijn in deze tijden van financiële crisis.

Niemand, geen enkel land, had enige wijziging te melden. Commentaar van de Nederlandse minister Wouter Bos (PvdA), die erbij zat: „Interessant hè, als je hoort hoe ministers dezer dagen over elkaar buitelen met stimulatieplannen voor werkgelegenheid, fiscale projecten voor fabrikanten, enzovoort. Dus we hielden de rondvraag nog eens. Wéér gaf er niemand sjoege.”

De scepsis die in Bos’ woorden doorklinkt, delen velen in Brussel. Geen euroland zegt dat hij zich niet aan het groei- en stabiliteitspact wil houden, het regelmechanisme dat de euro stabiel houdt en dat – onder meer – bepaalt dat begrotingstekorten van eurolanden niet hoger mogen zijn dan 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp).

Maar op diezelfde maandagavond kwam de Spaanse eurocommissaris Joaquín Almunia (monetaire zaken) met de zwartste economische prognoses aanzetten sinds de invoering van de euro in 1999. Een aantal EU-lidstaten zit al in de recessie. Groei is overal gestopt of teruggelopen. De werkloosheid stijgt. En dan nog „moeten we de prognoses met een korrel zout nemen”, zei Almunia, die alle prognoses uit april al naar beneden heeft moeten bijstellen. „De indicatoren veranderen snel. Onzekere tijden.” Het Ierse begrotingstekort loopt op tot bijna 6 procent. Griekenland overschrijdt de 3 procent. Frankrijk en Italië naderen die limiet, net als Spanje. Nu het financiële systeem aansterkt, slaat de crisis door naar de economie. Toch past geen euroland zijn begroting aan?

Deze ministersvergadering, waarvoor maandagavond een ‘informeel’ deel plaatshad voor de ministers van eurolanden en gisteren het formele gedeelte was met alle 27 EU-lidstaten, was minder emotioneel en hectisch dan in oktober. Business as usual, bijna. Een maand geleden moesten er banken gered worden. Het waren de dagen van Fortis, Dexia, en spaartegoedengaranties – en de dramatische queeste naar een gezamenlijke, Europese aanpak.

Nu praatten de ministers met andere EU-collega’s over de verlaging van btw-tarieven, waar ze het al jaren niet over eens worden. Ze sloten een akkoord om grensoverschrijdende btw-fraude (oplopend tot miljarden per jaar) te bestrijden. Ze lunchten met bestuursvoorzitters van staatsfondsen van Abu Dhabi, Qatar en Noorwegen, rijke landen wier investeringen ieder Europees land graag wil. Ten minste, „zolang ze onze industrieën maar niet te veel opkopen’’, zoals een diplomaat zei. En ze debatteerden over hervormingen bij het IMF, waarover EU-regeringsleiders vrijdag aanstaande en ’s werelds machtigste economieën halverwege november verder praten.

De Europese Commissie start een procedure tegen Ierland vanwege het begrotingstekort. Zo hoort het. Maar het pact is in 2005 „flexibeler” gemaakt, onder druk van grote overtreders als Frankrijk en (toen) Duitsland. Als uitzonderlijke, onvoorziene externe omstandigheden het tekort tijdelijk opdrijven, en een land doet alles om dat te verhelpen, moet de Commissie ook bij 3,5 procent een poosje coulant zijn, is afgesproken.

Maar waar eindigt die souplesse? En wie bepaalt dat? Durft Commissievoorzitter Barroso strafprocedures te starten tegen grote landen die hem volgend jaar een tweede termijn als voorzitter moeten bezorgen? Veel landen hopen, en anderen vrezen, dat dit elastiek onder politieke druk steeds verder wordt opgerekt. Zover, dat het zijn oude lengte niet meer terugkrijgt. Of dat het knapt.