Slimmer dan Bill Clinton

Barack Obama, de eerste zwarte president van de VS, bewees in de afgelopen campagne boven alles dat hij een meesterlijke politicus is.

Immense problemen zouden ontstaan wanneer hij Hillary Clinton niet koos als vicepresidentskandidaat. Vrouwelijke kiezers en laaggeschoolde arbeiders zouden zich van hem afwenden. De hele Clinton-machine zou zich tegen hem keren. De eenheid van de Democratische partij stond op het spel.

Dat was afgelopen zomer. Aanhangers van Hillary Clinton zetten Barack Obama openlijk onder druk. Hij reageerde niet, de Clintons kreunden. En maanden later, nadat hij Joe Biden als running mate aanwees, liet Obama koeltjes weten dat hij niet eens had overwogen Hillary te vragen – waarna bleek dat de Clintons voor hem op campagne gingen.

Barack Obama zijn het afgelopen jaar veel eigenschappen toegekend. Mensen prijzen de poëzie van zijn boeken en toespraken. Zijn progressieve standpunten, zijn vermogen raciale spanningen af te zwakken. Maar mensen die hem sinds de jaren negentig volgen, zeggen dat één aspect van hem vaak onderbelicht blijft: dat hij een meesterlijke politicus is.

Dit jaar stapelden de voorbeelden zich op. Het imago van zijn campagne werd bepaald door zijn miljoenen kleine donoren. Intussen blies hij het systeem van publieke financiering van campagnes op, waardoor de macht van het geld na dit jaar in de Amerikaanse politiek grenzeloos zal zijn.

Na zijn nederlaag in New Hampshire weekte hij de steunbetuiging van John Kerry los. Daarna Ted Kennedy. Na de debatten met John McCain in het najaar verleidde hij McCains vriend Colin Powell hem te steunen. Hij onderhield in de hele campagne goede relaties met de linkse webactivisten van Daily Kos, in dezelfde periode bleef hij een graag geziene gast op de christelijke televisiezender van Pat Robertson.

Afgelopen zomer publiceerde The New Yorker een ontmythologiserend stuk over Obama. Het zette aan de hand van een veelheid van bronnen in Chicago uiteen dat Obama nooit de anti-establishment figuur was geweest die hij in de campagne claimde te zijn. Tijdens zijn loopbaan in Chicago had hij juist altijd de kant van het establishment gekozen om hogerop te komen.

Zo was hij in de kerk van Jeremiah Wright (‘God damn America’) terechtgekomen, zo had hij geldelijke steun bij de frauderende vastgoedhandelaar Tony Rezko verkregen. De auteur van het stuk concludeerde dat het centrale thema van zijn campagne – dat Obama Washington zou opschudden – op „een misvatting” berust.

Maar het stuk zou weinig aandacht krijgen. Het weekblad kondigde het stuk op de cover aan met een spotprent: Obama als heimelijke moslim, echtgenote Michelle als terrorist, en aan de muur Osama bin Laden. Obama’s campagne stelde de „smakeloze en aanstootgevende” omslag onmiddellijk aan de kaak.

Amerikaanse media discussieerden daarna uitvoerig of dit wel kón. Op het internet woedde een ondergrondse campagne om de presidentskandidaat af te schilderen als moslim, en The New Yorker moest zich verweren tegen het verwijt dat het voedsel gaf aan dit vuige spel.

De gang van zaken is kenmerkend voor Obama’s politieke strategie: zet schadelijke feiten zo snel mogelijk om in belangstelling die de kandidaat goed uitkomt. „Deze man is een veel slimmere politicus dan Bill Clinton ooit is geweest’’, zei eerder dit jaar Mark Halpersin, een veteraan onder de politieke journalisten.