Is dit het einde van de Republikeinse metafysica?

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: het wereldbeeld van Barack Obama.

Vandaag is na acht jaar officieus een einde gekomen aan het tijdperk-Bush. Deze krant ging naar de drukker voordat de definitieve verkiezingsuitslag bekend was. Maar laten we er voor het betoog van dit artikel vanuit gaan dat de Democraat Barack Obama is verkozen tot de 44ste president van de Verenigde Staten. In dat geval heeft de politiek, zeker voor Amerikaanse begrippen, een flinke ruk naar links gemaakt. Beëindiging van de oorlog in Irak, diplomatieke betrekkingen met vijandelijke staten en een gesocialiseerde gezondheidszorg zullen dan enkele van de meest ingrijpende veranderingen in het Amerikaanse beleid gaan vormen.

Maar onder een regering-Obama zou niet alleen de politieke agenda een substantiële transformatie ondergaan. Belangrijker nog, en filosofisch interessanter, is dat met de Democraat als president bovenal een nieuw wereldbeeld zijn intrek zou nemen in het Witte Huis. Een wereldbeeld dat sterk verschilt met dat van Bush, in politieke zin, maar vooral ook in metafysische: Obama heeft wezenlijk andere ideeën over de realiteit in de wereld, de natuur van de mens en de verhouding daartussen.

Om die verschillen te kunnen zien, is natuurlijk eerst de vraag: welke metafysische aannames liggen ten grondslag aan het neoconservatisme van president Bush? De Amerikaanse filosofe Susan Neiman (1955) geeft daar een inzichtelijk antwoord op in haar onlangs verschenen boek Morele Helderheid (2008). Daarin stelt Neiman dat het wereldbeeld van Bush het beste is te typeren als „Hobbesiaans realisme”. Dat wil zeggen dat Bush, net als de Britse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679), de wereld primair beschouwt als het toneel van een niet-aflatende strijd om macht.

Aan de basis van die visie ligt de aanname dat de mens van nature niet geneigd is tot het goede (altruïsme en samenwerking), maar eerder tot het kwade (egoïsme en machtsstrijd) – een gedachte die ook prominent aanwezig is in het christendom, waar de mens van nature als zondig wordt beschouwd. De natuurtoestand van de mensheid, stelde Hobbes, is dan ook een staat van oorlog, waarin het leven „ellendig, dierlijk en kort” zou zijn. Deze staat van oorlog kan slechts worden ontstegen door macht te verwerven en die macht aan te wenden om jouw ‘orde’ aan de wereld op te leggen. Een rechtvaardige wereld voor iedereen is dus per definitie onmogelijk: het ‘rechtvaardige’ is namelijk niets meer dan het recht van de sterkste, aldus Hobbes.

De reden dat deze kijk op de wereld ‘realisme’ wordt genoemd, is omdat ze er vanuit gaat dat de wereld, en de grimmige menselijke verhoudingen daarin, op dit fundamentele niveau niet te veranderen is. De wereld is nu eenmaal zo; aan de strijd om de macht is niet te ontsnappen. Mensen worden immers volledig bepaald door hun overlevingsdrang en het daaruit voortvloeiende verlangen om anderen te domineren.

Dit Hobbesiaanse realisme staat in de filosofie haaks op het Kantiaanse idealisme, vernoemd naar Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804), die stelde dat de mens juist wél het vermogen heeft om deze ‘realiteit’ van voortdurende belangenstrijd te ontstijgen. De mens beschikt namelijk over de rede, die hem in staat stelt zijn dierlijke impulsen te beheersen en te kiezen voor het goede, aldus Kant. De term ‘idealisme’ verwijst hier dus naar de gedachte dat de wereld maakbaar is: de mens is geen stuurloos product van de werkelijkheid, maar de schepper ervan – en kan dus zelf een betere wereld realiseren.

Op metafysisch niveau zijn realisme en idealisme dus elkaars tegenpolen: realisten zien een door machtsstrijd beheerste en dus onrechtvaardige wereld als een gegeven, terwijl idealisten het beschouwen als een keuze. Daarom spreken idealisten graag over ‘hoop’ en ‘verandering’ en noemen ze realisten cynisch en pessimistisch: een betere wereld is wél mogelijk, vinden zij. Andersom spreken realisten daarom liever over ‘veiligheid’ en ‘sterk leiderschap’ en noemen ze idealisten gevaarlijk naïef: wie de strijd om de macht staakt of zelfs ontkent, wordt immers onherroepelijk overmeesterd door de vijand, stellen zij.

Nu is het bizarre aan de Republikeinen dat zij met hun neoconservatisme het onmogelijke lijken te hebben gedaan: ze hebben deze twee onverenigbare uitgangspunten gecombineerd. Aan de ene kant is Bush inderdaad een Hobbesiaanse realist, die de wereld ziet als een onvermijdelijke machtsstrijd tussen goed en kwaad (‘war on terror’, ‘war on drugs’, ‘axes of evil’), maar aan de andere kant presenteert hij zichzelf voortdurend als een Kantiaanse idealist, die de wereld als maakbaar beschouwt en rechtvaardigheid zegt te willen scheppen door landen te democratiseren en bevolkingen te bevrijden van hun tiran. Of, zoals Neiman het formuleert: de neocons van de regering-Bush „hanteren twee metafysica’s”: als het gaat om hoe de wereld is, zijn ze realist, en als het gaat om hoe de wereld kan zijn, tonen ze zich plotseling idealist.

Filosofisch gezien is die positie onhoudbaar (je kunt de realiteit niet als gegeven én als keuze beschouwen), maar politiek-strategisch is het briljant: iedere kritiek van politieke tegenstanders is er namelijk mee te pareren. Wie vraagtekens zet bij de onvermijdelijkheid van de strijd tegen het ‘kwaad’, kun je dan namelijk naïef, laf of onpatriottisch noemen (‘ze zien het gevaar niet’), en wie juist twijfels heeft over het menselijke vermogen om het ‘kwaad’ in de wereld uit te roeien, kun je beschuldigen van een gebrek aan daadkracht en betrokkenheid bij het lot van anderen. Of, zoals Neiman het zegt: „Deze tweesnijdende strategie stelt [de neocons] in staat aanspraak te maken op zowel nuchtere intellectuele superioriteit als edele motieven.”

Hoe handig deze filosofische dubbelhartigheid is, werd vooral zichtbaar in de rechtvaardiging van de Irak-oorlog. Het argument was eerst gebaseerd op Hobbesiaans realisme: Saddam is een existentieel gevaar. En toen de massavernietigingswapens niet werden gevonden, veranderde de rechtvaardiging opeens in Kantiaans idealisme: het is sowieso goed dat de Irakezen zijn bevrijd van een dictator. Kritiek is op die manier onmogelijk gemaakt: wie eerst tegen was, onderkende de dreiging niet, en wie nu tegen is, laat de Irakezen in de steek.

Als Barack Obama de Republikeinen heeft weten af te troeven, dan mag dat dus een klein wonder heten. Zijn metafysische wereldbeeld is namelijk precies het omgekeerde van die van Bush (en McCain) en zijn politieke positie daardoor veel zwakker. Als het gaat om zijn visie op de realiteit presenteert Obama zich vaak als idealist: hij gelooft in de redelijkheid van mensen, in hun natuurlijke neiging goed te doen en in hun bereidwilligheid samenwerking te verkiezen boven eigenbelang. Als het gaat om de maakbaarheid van de wereld toont Obama zich daarentegen juist een realist: hij gelooft dat democratie niet kan worden afgedwongen, dat vooruitgang altijd moeizaam en gradueel tot stand komt en dat soft power (diplomatie) even belangrijk is als hard power (militaire en economische macht).

Filosofisch gezien is dit wereldbeeld logischer, maar politiek gezien veel minder aantrekkelijk: immers, waarom zou je stemmen op iemand die én het kwaad in de wereld én ons vermogen er iets aan te doen relativeert? Dat is de filosofische val waarin volgens Susan Neiman de meeste linkse politici zich tegenwoordig bevinden. Rechtse conservatieven doen de wereld voor als één grote gevaarlijke jungle, terwijl ze tegelijkertijd de pretentie uitdragen die wereld naar hun idealen te kunnen vormen. Linkse politici zijn genuanceerder over de wereld en bescheidener over zichzelf – en nuanceren daardoor vaak automatisch zowel de gevaren als de overmoed van rechts . En juist dáárdoor zijn ze door hun rechtse collega’s gemakkelijk af te schilderen als politici die de problemen niet zien en de oplossingen niet weten.

In Nederland is vooral Geert Wilders zeer bedreven in dit politieke steekspel: hij waarschuwt met grote woorden voor bijna onafwendbare gevaren (‘tsunami van islam’, ‘Marokkaanse straatterroristen’), komt zelf met utopische oplossingen (Koran verbieden, leger naar Gouda sturen, moslims weigeren bij de grens) en verwijt vervolgens iedereen die daar vraagtekens bij stelt een gebrek aan daadkracht én realiteitszin.

Die tactiek zou vandaag in Amerika wel eens een verpletterende nederlaag geleden kunnen hebben, met dank aan Barack Obama. De vraag is dan hoe lang ze nog succes zal hebben in Nederland.