Iedereen in tranen - behalve Obama

Als ik Barack Obama met één woord zou moeten karakteriseren, zou ik voor ‘zelfbeheersing’ kiezen. Ik heb inmiddels veel van zijn openbare optredens bekeken – de redevoeringen, de debatten met McCain – en elke keer viel me de kalmte op waarmee hij de moeilijkste én mooiste momenten wist te doorstaan.

Voor de verkiezingsnacht begon, bekeek ik nog even het filmpje waarin hij op het overlijden van zijn grootmoeder reageert. Een tragisch verlies, zo kort ook voor de belangrijkste dag van zijn leven, van iemand die veel voor hem betekend heeft. Hij had haar dood ook niet verwacht, omdat het volgens de artsen juist goed met haar ging, zo vertelde Obama’s assistent David Axelrod vannacht.

Je kunt horen hoe Obama bij dat toespraakje in North Carolina zijn emoties probeert te onderdrukken. Hij brengt het sterven bijna terloops te sprake: „My grandmother passed away early this morning… look, she’s gone home… she died peacefully in her sleep with my sister at her side… and… so there is great joy as well as tears. I’m not gonna talk about it too long, because it’s hard to talk about.”

En hij zwenkt weg van de emoties en plaatst zijn grootmoeder in het grotere perspectief van naamloze, maar o zo belangrijke burgers, „those quiet heroes”, die een samenleving draaiende houden.

Geen tranen nu, het volk wil geen huilende president, moet hij gedacht hebben – en het lukte hem.

Vannacht, tijdens zijn waardige acceptance speech in Grant Park in Chicago, gebeurde hetzelfde. Iedereen ontroerd en in tranen (Jesse Jackson, snikkend als een vader die zijn zoon iets groots ziet bereiken!), behalve de man die al die emoties had opgewekt. Hij keek al vooruit, prees zijn tegenstander in de meest genereuze termen en riep op tot eenheid: „We are and always will be the United States of America.”

Geen spoor van zelfgenoegzaamheid en triomfalisme.

Misschien is dat de afgelopen maanden wel zijn grootste verdienste geweest: het verslaan van zijn tegenstanders op een zo correct mogelijke manier. Hij liet zien dat je een politieke strijd kunt winnen zonder straatvechter te worden. John Kerry, zijn Democratische voorganger, was ook een keurige man, maar hij faalde om de eenvoudige reden dat hij niet de allure van Obama had.

Er hing vannacht bijna religieuze extase in de Amerikaanse lucht. Vier jaar geleden, toen ik in de verkiezingsnacht door het vrijwel lege hart van New York liep, was dat heel anders. Doffe berusting overheerste toen. Die vervoering kan beter niet te lang duren, maar je moet wel stekeblind voor de symboliek van deze verkiezing zijn om zulke gevoelens niet te begrijpen.

Bart Jan Spruyt, de Nederlandse neoconservatief, bleek zo iemand. Hij zat er vanmorgen in de tv-studio bij als iemand die zijn wereld zag instorten. „Deze vreugde vind ik te gek worden”, zei hij. Voor hem is Obama een ‘radicaal’ , een linkse nog wel – en erger kan het niet. Als ik Obama was, zou ik nu roepen: „Bart Jan, doe niet zo benepen, kom erbij, dan gaan we er samen iets moois van maken!”

Maar ik ben Obama niet, helaas – vooral vannacht had ik graag even met hem willen ruilen.