Daar, bij die molens, daar lag Nederland

Niemand die zich straks op het platteland begeeft, kan nog om de windmolens heen. Een afweging van de maatschappelijke kosten en baten is nooit gemaakt, schrijft Pieter Lukkes.

Op dit moment staat er voor 2.000 megawatt vermogen aan windmolens op het land, in 2011 moet dat 3.600 megawatt zijn. Dat is eind oktober door het Rijk overeengekomen met het Interprovinciale Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de energiesector.

Iedereen die zich straks buiten zijn stad of dorp begeeft, kan niet meer om die hoge turbines heen. Het gehele platteland, vaak met historische dorpen en stadjes, wordt straks veranderd in een industrieel windturbinelandschap, zoals wij dat al kennen van Flevoland en de Wieringermeer.

Omdat de impact ervan op ons land enorm zal zijn, is het verwonderlijk dat noch de Tweede Kamer noch de media kritisch aandacht aan deze plannen heeft besteed. Ik ga eraan voorbij dat windenergie nog altijd gesubsidieerd moet worden en aan het feit dat voor windenergie een backup beschikbaar moet zijn in de vorm van een gasgestookte centrale die het grillige aanbod van windenergie kan volgen. Wat ik echt heel ergerlijk vind is dat nergens een balans is opgemaakt van de maatschappelijke kosten en baten. Landschapsvervuiling, bedorven plezier in het buitenzijn, eeuwige onrust, lawaai, trillingen, lichtflitsen bij laagstaande zon – het telt allemaal niet bij de strevers naar meer windenergie.

Veel voorstanders uit de milieubeweging handelen niet op basis van feiten maar vanuit een welhaast sektarisch geloof in windenergie. Zij vormen een kongsi met de windmolenbranche van bouwers en adviesbureaus. Beide partijen hebben er belang bij dat het geloof in windenergie alom wordt verspreid en dat de tegenstand de kop wordt ingedrukt.

Dit laatste gebeurt op een weinig zachtzinnige wijze. Zo heeft de regering enkele adviesbureaus de opdracht gegeven om uit te zoeken hoe de weerstand onder de bevolking tegen windturbines kan worden verminderd of gebroken. Geen van de bureaus, zoals SenterNovem (een agentschap van Economische Zaken), Bosch & Van Rijn (Utrecht), Build Desk Benelux (Delft) en Grontmij (Waddinxveen) stelt zich de vraag of windenergie op het land nodig is – dat wordt onvoorwaardelijk aangenomen. De opgave is de turbines geplaatst te krijgen, verder niet.

Daarbij deinst men niet terug voor dwangmaatregelen, maatregelen die naar chantage rieken en voor ‘strategische’ keuzes, bijvoorbeeld om de turbines in onbewoonde gebieden te plaatsen, zodat er slechts weinig protesterenden vlak in de buurt wonen. Voor het aantal protesten maakt dat wat uit, voor de zichtbaarheid niet – een moderne molen is vanaf 20 kilometer zichtbaar. Sinds kort bestaat er aandacht voor de verrommeling van het landschap door nieuwe bedrijvenparken. Verrommeling is fout Maar waarom geldt dit niet voor windmolens?

In veel dorpen blijkt de komst van windmolens als een splijtzwam te werken. De bevolking raakt in twee kampen verdeeld: een kleine groep van landeigenaren die geld aan de turbines verdient en de rest, die er alleen maar hinder van ondervindt.

Minister Cramer (PvdA, VROM) wil de lokale oppositie tegen de bouw van turbines breken. Voor dat doel wil zij, onder voorwaarde dat men niet meer dwars zal liggen, aan dorpen cadeautjes uitdelen zoals sportvelden en dorpshuizen. Dat is slim bedacht want nu kan geen dorpsbewoner het zich meer veroorloven om tegen te stemmen. Dat komt de tegenstemmer op uitsluiting uit de gemeenschap te staan.

Maar op zich is het bespottelijk dat de dorpsgemeenschap het recht krijgt om de schoonheid van het landelijke gebied te verkwanselen aan de hoogst biedende. Als dat mag, dan zijn zowel de ruimtelijke ordening als de minister met die portefeuille overbodig.

Op dit moment trekt de molenkaravaan van dorp tot dorp door het land. Steeds opnieuw worden gemeentebesturen en dorpen voor het eerst met de plaatsing van windturbines geconfronteerd. Voor de windmolenadepten is dat gunstig; zij komen steeds te staan tegenover oningewijden. Dat geeft ze een enorme voorsprong.

Voor de lokale bevolking is dit een hoogst frustrerende ervaring, die zich uit in gevoelens van onmacht en woede. Deze gevoelens kunnen zo heftig zijn dat men zich keert tegen eigen gemeentelijke bestuurders die met de windturbinelobby ‘heulen’. Dit gebeurde bijvoorbeeld in september in de gemeente Duiven. Daar meldde een wethouder dat hij werd bedreigd omdat hij achter de bouw van vier 150 meter hoge turbines stond.

Dit land is een democratie. Maar soms laat het bestuur toch grote steken vallen. Nergens is de afweging gemaakt van de voor- en nadelen van windenergie tegen de grote maatschappelijke, financiële en landschappelijke offers die de bevolking van ons land ervoor moet brengen.

Pieter Lukkes is emeritus hoogleraar geografie aan de Rijksuniversiteit Groningen.