Borghouts en het nut van lagere overheden (terwijl Amerika stemt)

Heb ik me als inwoner van de provincie wel eens Noord-Hollander gevoeld?

Nooit natuurlijk.

Je bent Westfries, Zaankanter of Erfgooier, en nog liever Bussumer, Enkhuizenaar, of Amsterdammer, maar daar houdt het mee op. Heeft Noord-Holland soms een vlag, een volkslied of een voetbalelftal waarvan je een brok in je keel krijgt? Nou dan.

Een provincie is net zoiets als een stadsdeelraad: eigenlijk niks. Een provincie in Nederland is, net als een deelraad in een Nederlandse stad, dus tamelijk ridicuul – alsof je serieus aan een World Trade Centre in Broek in Waterland zou willen denken, of aan het Olympisch Stadion van Lochem, of aan de zetel van de Verenigde Naties in ’s Gravenhage. Voor sommige dingen dingen zijn we nou eenmaal te klein.

De belachelijkheid strekt zich vanzelfsprekend uit over de hoogwaardigheidsbekleders binnen die minigremia: de gedeputeerden, de Staten, de Commissaris van de Koningin. De laatste had in het begin van de 19de eeuw nog een functie. In het nieuwe koninkrijk waren de verbindingen tussen het paleis en de uithoeken nog gebrekkig, dus de vorst had iemand nodig die de Drentse hei en het Brabantse platteland namens hem in de gaten kon houden: de gouverneur. De onderkoning van Gelderland spelde in die tijd bijvoorbeeld elke dag de Arnhemsche Courant uit, om achter de namen te komen van de opruiers die anoniem staatsondermijnende stukken schreven.

Thorbecke schreef ze vaak. Hij had in 1848 bij wijze van revanche alle provincies (inclusief de gouverneurs, de gedeputeerden en de staten) uit z’n grondwet kunnen schrappen. Maar dat vond hij te ver gaan, en hij liet ze staan. Wel moesten de gouverneurs zich voortaan commissaris noemen, en ze mochten alleen maar symbolisch iets voorstellen. Limburg, dat nog nauwelijks bij Nederland hoorde, wilde graag de gouverneurstitel houden, en dat is al die tijd lankmoedig goed gevonden. Maar ook de Commissaris in Maastricht stelt alleen symbolisch iets voor.

Commissaris van de Koningin word je sinds jaar en dag als je in Den Haag, bij voorkeur als minister, wel je best hebt gedaan, maar het net niet helemaal hebt gered: Wiegel, Van Agt, Alders, Karla Peijs. Tineke Netelenbos had dus alle recht om na haar carrière aan het Binnenhof Commissaris van Noord-Holland te worden, wat ze ook dolgraag wilde. Maar de Provinciale Staten stemden voor een ander – naar ze zelf vermoedde omdat de heren niet gediend waren van een aantrekkelijke vrouw – en die ander heette Harry Borghouts.

Als je Harry toen hij nog klein was had gevraagd wat hij later wilde worden, had hij zonder aarzelen gezegd: topambtenaar! En dat werd hij. En is er een hogere top denkbaar dan topambtenaar in dienst van Hare Majesteit de Koningin? Borghouts bereikte het hoogste wat binnen zijn mogelijkheden lag.

Respecteerde hij intussen de regels van de folklore, dat wil zeggen: net zo veel poeha als hij wilde, maar alleen symbolisch? Hij hield zich tamelijk stil, in tegenstelling tot collega’s als Hans Alders (meer dan een ton per jaar bijeen geschnabbeld) en Jan Fransen (bedenkelijke bijbanen in Zuid-Holland). Maar ineens namens de provincie 78 miljoen op een dubieuse bank in Reykjavik zetten, de minister van Financiën van het koninkrijk in de wielen rijden, en met een claim tegen de staat dreigen als je je zin niet krijgt – is dat nog symboliek zoals bedoeld door Thorbecke, of is het brutaal machtsvertoon?

Ik denk dat Harry zich moet schamen. Net als zijn financiële provincie-genie Ton Hooijmakers die blijft roepen dat Landsbanki ‘de A-rating’ had, dus dat iedereen moet opdraaien voor zijn stommiteit. Twee hoge sufkezen in één provincie!

Het wordt tijd om diverse lagere overheden alsnog tegen het licht te houden.

Lees alle eerdere columns op nrcnext.nl/blokker