Arts hoeft helemaal niet op rekenles

Het klopt niet dat jaarlijks tientallen doden vallen door rekenfouten door artsen. En rekenles hebben ze zeker niet nodig, stellen Koeno Gravemeijer en Jan Maarten Wit.

Volgens het artikel ‘Arts moet op rekenles’ moeten artsen en verpleegkundigen nodig op rekenles (NRC Handelsblad, 27 oktober). Per jaar zouden tientallen doden valen als gevolg van rekenfouten. Tientallen doden – dat is nogal wat. Waarom horen wij daar verder niets van?

Maar het is ook niet zo. Uit het onderzoek waarop het artikel is gebaseerd (de doctoraalscriptie van C.W. de Jong en A.P. Koster) blijkt dit ook niet. Uit de literatuur die in deze scriptie wordt aangehaald, kan worden opgemaakt, dat bij 4,5 procent van de in ziekenhuizen geregistreerde incidenten een rekenfout aan de orde zou kunnen zijn. Omdat slechts een klein deel van die meldingen een dodelijke afloop heeft, is het weinig waarschijnlijk dat het om „tientallen doden” gaat.

De vraag is verder of dit onderzoek wel een goed beeld geeft van de vaardigheden die verpleegkundigen nodig hebben. Zo wordt gemeld dat 66 procent van de verpleegkundigen grammen niet kon omrekenen naar kilo’s. Maar dat doen ze waarschijnlijk nooit.

Je zou eigenlijk moeten weten hoe artsen en verpleegkundigen in de praktijk rekenen. Is daar ooit onderzoek naar gedaan? Jawel, door de onderzoeksgroep van Hoyels en Noss van de University of London bijvoorbeeld. Die vond dat Engelse verpleegkundigen hun eigen situatiegebonden rekenmanieren gebruikten.

Dit onderzoek past in een bredere traditie van onderzoek naar praktijkrekenen. Het bekendste onderzoek op dit gebied is dat naar het rekenen van Braziliaanse kinderen die op straat snoep verkopen. Het blijkt dat deze kinderen allerlei handige, op hun eigen situatie toegesneden, rekentrucjes gebruiken. Daarmee kunnen ze foutloos bepalen hoeveel de klant moet betalen en hoeveel er moet worden teruggeven.

Maar als deze kinderen in een schoolse situatie worden getest op hun rekenvaardigheid, komt er weinig van terecht. Ook niet als de sommen vrijwel identiek zijn aan de berekeningen die ze dagelijks uitvoeren. De kinderen gaan er kennelijk van uit dat er op school schools gerekend moet worden, met procedures en gecijfer. En dat kunnen ze niet. Men spreekt in verband hiermee wel van situated cognition, ofwel gesitueerde kennis. Kennis die in de ene situatie vanzelfsprekend is, is dat in een andere situatie kennelijk niet.

Het is heel goed mogelijk dat dit soort verschijnselen ook een rol speelt bij de toetsing van de rekenvaardigheid van artsen en verpleegkundigen. De groep van Hoyles en Noss vond dat verpleegkundigen in Engeland hun eigen rekenmanieren hanteerden. Per medicijn hadden ze een verschillende vuistregel. Bij het medicijn diathanol bijvoorbeeld, legt een verpleegkundige uit, is de concentratie 10 milligram per 2 milliliter; dus als er 0,4 milligram is voorgeschreven, dan moet je 0,08 milliliter geven. Ze legt uit dat je eerst verdubbelt en er dan een extra nul in zet.

Ze ontdekten dat de verpleegkundigen een serie van medicijnspecifieke rekenregels gebruikten. Dit waren geen op zich staande trucjes, maar methoden die waren ingebed in een grote vertrouwdheid met de betreffende medicijnen. Volgens een oudere verpleegkundige vormt die vertrouwdheid een bescherming tegen fouten. Dit stelt hen in staat om een afwijkende dosis direct te herkennen. In het algemeen is de kans op incidenten door rekenfouten dan ook klein. Alleen bij nieuwe technieken, waarvoor nog geen ervaringskennis is opgebouwd, ligt dat anders.

Het artikel ‘Arts moet op rekenles’ lijkt op het eerste gezicht het zoveelste bericht over het slechte rekenonderwijs van tegenwoordig. De vernieuwing van het rekenonderwijs op de basisschool van de laatste decennia met het ‘realistisch rekenen’ zou ertoe leiden dat leerlingen niet meer kunnen rekenen.

Maar als het rekenonderwijs vroeger beter was, zou je verwachten dat de oudere verpleegkundigen beter scoren dan de jongere. Het tegendeel is waar, de verpleegkundigen ouder dan 40 scoorden juist lager op de rekentests.

Het zou dus wel eens zo kunnen zijn dat terugkeer naar het rekenen van vroeger geen oplossing biedt voor de problemen die gesignaleerd worden. Temeer omdat uit onderzoek blijkt dat men in de beroepspraktijk niet zo rekent als in de school. Het is dan ook onjuist de competentie van beroepsbeoefenaren af te meten aan resultaten bij schoolse toetsen.

Koeno Gravemeijer is hoogleraar techniekeducatie aan de TU Eindhoven. Jan Maarten Wit is emeritus hoogleraar kindergeneeskunde te Leiden.

Lees het artikel ‘Arts moet op rekenles’ terug via nrc.nl/opinie.