Wijze woorden van NS-directeur

In nrc.next stond een hartverwarmend ingezonden briefje van Jacques Huberts, directeur NS Reizigers. Het ging over de geluidsoverlast in de trein. Een lezer had opgeroepen daartegen als reiziger in actie te komen en Huberts ondersteunde die oproep van harte.

„Wie last heeft van het gedrag van een ander moet zeker het NS-personeel op de trein waarschuwen”, schrijft hij. „Misschien moeten we een subtiel gebaar afspreken waarmee we kunnen aangeven dat we overlast ervaren. Een universeel symbool van herkenning waardoor iemand zijn gedrag aanpast. Ik sta open voor goede ideeën. Want telkens weer blijkt dat als we elkaar onderling rustig aanspreken de meeste ergernissen oplosbaar zijn.”

Ik vind het mooi gezegd van de directeur. Vooral dat subtiele gebaar als universeel symbool van herkenning spreekt me aan. Maar hadden we eigenlijk al niet zo’n gebaar?

Als je wilt dat een ander even stil is, houd je je wijsvinger verticaal voor je lippen – iedereen weet wat je bedoelt. Of het ook helpt in een vol NS-compartiment met twee mobiele bellers achter je en drie voor je, plus een heavymetaloordopper naast je, is de vraag – maar je kunt het proberen.

Misschien zoekt de directeur een krachtiger universeel gebaar, iets dat de ander wat sneller het zwijgen oplegt. Ook daarvan bestaan al aansprekende voorbeelden, zoals de vlugge, snijdende beweging over de keel. Als je er ook nog een blikkerend aardappelmesje bij toont, kun je er vast wonderen mee verrichten.

Ja, daar komen we wel uit, samen met de directeur NS Reizigers.

Grote problemen voorzie ik pas bij het waarschuwen van het NS-personeel op de trein, hetgeen hij ons ook aanraadt. Is er wel altijd NS-personeel op de trein? Mijn stellige indruk is dat naarmate de trein voller en lawaaiiger is, er minder personeel beschikbaar is.

Mijn kaartje wordt vooral gecontroleerd als ik midden op de dag moederziel alleen in de trein naar Meppel zit. Met een beetje geluk wordt mijn kaartje dan zelfs twee keer van voren én van achteren bekeken door een uiterst vriendelijke conducteur die mij bovendien, bij wijze van universeel symbool van herkenning, gemoedelijk toeknikt.

Als alles meezit, gaat zo’n conducteur dan ook nog eens met drie andere collega’s vlak achter mij zitten om de laatste perikelen met de dienstroosters uitvoerig te bespreken. Gezelligheid kent op zulke momenten geen tijd bij de NS.

Hoe lastig het soms is om een NS-personeelslid in actie te krijgen als je hem nodig hebt, bleek mij onlangs toen ik een oude man hoorde klagen tegen een conducteur. Ze waren net uit hun trein gestapt.

„U controleert mijn kaartje, maar niet dat van die dronken, schreeuwende meiden die twee meter verderop zitten te klieren”, zei de oude man.

„Ik heb geen meiden gezien”, zei de conducteur.

„Schei toch uit, ik zag hoe u naar ze keek en vervolgens doorliep. Als u daar al niets meer van durft te zeggen, moet u een ander beroep kiezen.”

De conducteur keek hem giftig aan, sprong zijn trein weer in en riep omkijkend met een Amsterdams accent: „Ach man! Sák!”

Subtiel was zijn houding misschien niet, maar de glasheldere universele symboliek ervan zal de directeur NS Reizigers zeker aanspreken.