Waarom gaan Amerikanen vandáág naar de stembus?

Vandaag kiezen de Amerikanen hun nieuwe president. ‘Nu kan ik begrijpen dat men dit om de vier jaar doet’, mailt Ben de Nijs uit Den Haag. ‘En dat het begin november is, op tijd voor de inauguratie in het nieuwe jaar. Maar waarom op de eerste dinsdag na de eerste maandag in november?

De Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1840 waren in de greep van stemfraude. De afzonderlijke staten hadden nog eigen verkiezingsdagen en de nog ongeregistreerde kiezers konden vrijelijk de staatsgrenzen oversteken om een dubbele stem uit te brengen. ‘Pipelaying’ heette dit gesjoemel.

Uiteindelijk verloor de zittende Democratische president Martin Van Buren van William Henry Harrison van de Whig Party. Harrison op zijn beurt overleed na 31 dagen in ambt aan longontsteking – naar verluidt omdat het zo koud was tijdens zijn eerste, lange speech.

Hoe dan ook, het Congres was de stemfraude beu en besloot in 1845 iedere vier jaar één centrale verkiezingsdag in te stellen, vertelt Hans Krabbendam van het Roosevelt Study Center voor Amerikaanse geschiedenis in Middelburg. „November was een goede maand omdat de oogst dan binnen was en de kiezers – vooral boeren – tijd hadden om te stemmen. Dinsdag was een goede dag omdat zondag rustdag was en woensdag marktdag, en het vaak één dag reizen was naar een stempunt.”

Het werd de dinsdag ná de eerste maandag van november om procedurele redenen. De president werd na verkiezingsdag formeel gekozen door het Electoral College van kiesmannen, dat de eerste woensdag van december bijeenkwam. En geteld vanaf de eerste dinsdag van november zou de tussenliggende periode in sommige jaren langer dan 34 dagen zijn, en daarmee onwettelijk.

Alleen South-Carolina hield nog eigenwijs vast aan een eigen verkiezingsdag. In die staat bleef het kiezen van kiesmannen tot 1868 in handen van de federale wetgevers, in plaats van die van de kiezers, de popular vote. Krabbendam: „Ja, waarom? Omdat South-Carolina gewoon oer- en oerconservatief was.”

Eppo König