Taxi-dansen: romantisch vermaak of prostitutie

Chicago, jaren 20. De taxi-dance-hall was er een dansgelegenheid, waarin een man tegen betaling anderhalve minuut op levende muziek met een vrouw kon dansen.

Karel van het Reve moest niet veel hebben van de sociologie. Op zijn best vond hij het ‘hoogdravende onduidelijkheid’. In een aantekening uit 1970 roept hij uit: „Als ooit een socioloog iets interessants ontdekt heeft, hoe kan het dan dat ik bijna vijftig jaar geworden ben zonder daar ooit iets van gemerkt te hebben? Er zou toch af en toe iets van in de krant gestaan hebben?”

Het antwoord op deze retorische verzuchting is natuurlijk dat de sociologie zich helemaal niet op de eerste plaats bezighoudt met het doen van ontdekkingen, opdat die als nieuws via de krant tot het publiek doordringen. Dat zou ook een merkwaardige maatstaf voor wetenschappelijke relevantie opleveren en eentje die maar voor weinig wetenschapsgebieden tot een positieve uitkomst leidt.

Een mooi voorbeeld van wat de sociologie wél vermag, is de onlangs heruitgegeven studie The Taxi-Dance Hall van de Amerikaanse socioloog Paul Goalby Cressey uit 1932. De taxi-dancehall was een vooral in Chicago in de jaren 20 voorkomende uitgaansgelegenheid, waar mannen zich tegen betaling met vrouwelijke danspartners konden vermaken. Er was een orkest dat voor dansmuziek zorgde, de mannelijke bezoekers moesten per dans van anderhalve minuut een ticket van 10 dollarcent afgeven, waarvan zij bij binnenkomst een rol van tien stuks hadden aangeschaft. Die 10 cent ging voor de helft naar het meisje, de andere helft naar de exploitant van de dancing.

Aanvankelijk opereerden deze taxi-dancehalls onder het mom van dansscholen, waarbij de ‘dansinstructrices’ voor hun lessen betaald werden, maar gaandeweg begonnen ze steeds meer op bordelen te lijken, waarbij het bezoek aan de dancehall slechts het voorspel was om na sluitingstijd met het meisje van je keuze de nacht door te brengen. Geen wonder dat de autoriteiten niet goed wisten of en hoe ze zich met het fenomeen van het taxidansen moesten bemoeien. Was dit nog onschuldig romantisch vermaak, waarbij jonge mannen en vrouwen zich in een besloten gelegenheid al dansend amuseerden zonder er verder iemand mee lastig te vallen? Of was het een vorm van georganiseerde uitbuiting en (jeugd)prostitutie, waardoor onvermijdelijk zedenbederf en sociale onrust zouden ontstaan? In San Francisco had men voor de laatste interpretatie gekozen en werden de taxi-dancehalls al na enkele jaren verboden.

Goalby Cressey’s studie, gebaseerd op zeven jaar onderzoek, gaat uit van de zinnige gedachte dat men eerst moet weten wat iets precies inhoudt voordat men besluit om het te reguleren of zelfs te verbieden. Daartoe interviewde hij danseressen en bezoekers en analyseerde hij de ontwikkeling van het verschijnsel taxi-dansen vanaf de opkomst ervan rond 1920.

Goalby Cressey speurde in de archieven van locale kranten en van de Kinderbescherming en deed onderzoek in gemeentelijke onroerendgoedregisters. En natuurlijk bezocht de auteur, gesteund door een team van assistenten, de honderden grote en kleine taxi-dancehalls in Chicago, om een beeld te krijgen van de ongeschreven regels die op en rond de dansvloer golden.

Het daaruit resulterende boek geldt als een klassieke sociologische studie, die ‘hoogdravend’ noch ‘onduidelijk’ is. Integendeel, The Taxi-Dance-Hall (dit jaar opnieuw uitgegeven door de University of Chicago Press) leest bij vlagen als een film noir, terwijl het tegelijkertijd betrouwbare informatie verschaft over het taxi-dansen, een verschijnsel dat niet alleen toenmalige stadsbestuurders bezighield maar ook in de Amerikaanse literatuur en film zijn sporen heeft nagelaten.

Al met al vermoed ik dat Karel van het Reve, met zijn zelfverklaarde voorliefde voor detectives en pulpromans, toch wel van deze sociologische studie zou hebben genoten. Maar hij had in zoverre gelijk dat ook ik intussen al vijftig geworden ben en nog nooit iets over het boek van Goalby Cressey in de krant had gelezen. Tot vandaag dan.