Strafbaar beledigen

Of Hij nu bestaat of niet, welbeschouwd is God niet te beledigen. In het eerste geval staat Hij erboven, in het tweede geval staat hij niet. Artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht, dat volgens minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) geschrapt kan worden, is er dan ook niet om God tegen belediging te beschermen, maar de volgelingen van monotheïstische godsdiensten, die zich ernstig gekrenkt kunnen voelen door ‘smalende godslastering’. Volgens de wetgever moest de openbare orde worden beschermd door dergelijke uitingen strafbaar te stellen. Wie zich op zeer grievende wijze over het godsbeeld van gelovigen uitlaat, moet dan wel het kwetsen als enige bedoeling hebben gehad.

Het is geen wonder dat artikel 147 in de praktijk sinds 2 april 1968 een dode letter is gebleken. In zijn zogenoemde Ezel-arrest, tot stand gekomen in een zaak tegen schrijver G.K. van het Reve, die God had voorgesteld als een ezel waarmee hij de liefde wilde bedrijven, formuleerde de Hoge Raad de bewijscriteria dusdanig scherp dat het sindsdien niet meer tot een geslaagde vervolging wegens godslastering is gekomen. Het is dus een wijs besluit om het artikel te schrappen, temeer daar zo ook een einde komt aan het achterhaalde onderscheid dat in de wet wordt gemaakt tussen godslastering en andere vormen van belediging.

Opmerkelijk is het besluit van het kabinet, dat in meerderheid uit christen-democraten bestaat, wel. Vooral omdat Hirsch Ballins voorganger en partijgenoot Donner nog een uitbreiding van artikel 147 in het vooruitzicht had gesteld en de huidige minister zelf een jaar geleden in een brief aan de Tweede Kamer nog verkondigde dat „strafbaarstelling van godslastering een zelfstandige plaats toekomt in het strafrechtelijke instrumentarium voor de aanpak van uitingsdelicten”. Het hoeft dus geen verbazing te wekken dat protestantse partijen als SGP („buitengewoon bittere pil”) en Hirsch Ballins coalitiepartner ChristenUnie droevig hebben gereageerd op het nieuwe standpunt van deze minister van ‘roomsen’ huize. Zeker voor wie zich herinnert dat in november 2004 een motie van D66, waarin voor opheffing van het artikel werd gepleit, door een ruime meerderheid in de Kamer werd verworpen.

De minister denkt godslastering toch strafbaar te houden door uitbreiding van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht – het antidiscriminatieartikel. Dat richt zich tegen het beledigen van een groep mensen, maar door de formulering te wijzigen kunnen ook personen die zich indirect („middellijk”) beledigd voelen, er een beroep op doen. Het is de vraag of de minister van Justitie de rechtspraak zo niet met ingewikkelde bewijsvoering opzadelt of, met andere woorden, opnieuw een dode letter. Ook los daarvan is uitbreiding van artikel 137, dat afdoende is om tegen discriminatie op te treden, niet wenselijk. Wetsartikelen die zich tegen belediging richten, botsen al snel met een grondrecht: de vrijheid van meningsuiting. De wetgever zou zich moeten realiseren dat beledigen of beledigd zijn een kwestie van persoonlijke interpretatie is. Beschaving laat zich moeilijk per wetsartikel regelen. Een afgedwongen beschavingsniveau dient meer de schijn dan de werkelijkheid.