Somberen in de eurozone

De economische prognoses voor landen in de eurozone zijn somber. Ministers van Financiën bespreken of er een centraal plan moet komen en hoe streng de Commissie moet zijn.

„Het spijt me, we zijn wat vroeg klaar vanavond.” De Luxemburgse premier en minister van Financiën Jean-Claude Juncker had gisteravond voor tienen een paar uur lang, samen met zijn veertien collega’s van de eurolanden, de sombere economische vooruitzichten besproken die de Europese Commissie gisteren had gepubliceerd. Maar bij Juncker, die als voorzitter van deze eurogroep fungeert, kunnen er altijd sarcastische grapjes af.

De vorige keer dat de vijftien ministers bijeenkwamen – wat ze altijd ‘informeel’ doen de avond voordat alle 27 ministers van Financiën van de Europese Unie elkaar spreken – was begin oktober in Luxemburg. Toen sloeg de financiële crisis genadeloos toe. De eurogroep vergaderde zowat tot middernacht. Het waren de dagen van Fortis, van Dexia. Van garanties op spaargelden, aanvankelijk nationaal en toen toch Europees. En, vooral: de tijd van de nationale reddingsacties voor banken, die na crisisoverleg van regeringsleiders toch omgesmeed werden tot een synchroon, Europees reddingsplan.

Nu, één maand later, is de economie aan de beurt. De Commissie komt elk half jaar met prognoses voor alle EU-landen. Sinds de introductie van de euro in 1999 zijn die niet zo slecht geweest. De economische groei gaat overal omlaag – de EU gaat nu de recessie in. Alle prognoses uit april zijn naar beneden bijgesteld. Enige groei is pas voorzien in 2010. Er komen minder banen bij dan afgelopen jaren, de werkloosheid gaat omhoog. Staatsschulden stijgen overal. „Ook deze prognoses moet u met een korrel zout nemen”, waarschuwde eurocommissaris Joaquín Almunia (Monetaire Zaken). Ofwel: misschien zijn we nog te optimistisch. „Indicatoren veranderen snel in onzekere tijden.”

Het goede nieuws, vervolgde Almunia, is dat de inflatie omlaaggaat. En dat het in Amerika en Japan nog erger is.

De sfeer op de ministersvergadering gisteren was somber. Vergeleken met vorige maand, toen ministers de vergadering opgewonden, soms paniekerig in en uit renden, was iedereen nu onderkoeld. Zulke crises, zei een diplomaat, „vereisen gravitas”.

Eén ding is hetzelfde als vorige keer: de grote vraag is of landen zelf aan de slag gaan om er bovenop te komen, of dat ze het samen doen. Houden ze zich aan de Europese afspraken of niet, afspraken die het cement vormen tussen de eurolanden en van de interne markt? Dat wordt steeds onzekerder. En gaat de hoeder van deze afspraken, de Europese Commissie, landen aanpakken die ze in de wind slaan? Of bezwijkt zij onder de groeiende politieke druk om ‘soepel’ te zijn?

Volgens Almunia heeft Europa een „economisch herstelplan” nodig. Vorige week kwam de Commissie met ideeën daarover – versnelde subsidies voor arme regio’s, meer werkgelegenheidsprojecten rond alternatieve energie, hulp voor autofabrikanten. Maar Juncker ziet niets in zo’n Europees herstelplan. „Dat is helemaal niet nodig”, zei hij, terwijl lieden die haastig per sms uit naburige restaurants waren opgeroepen, schielijk de zaal in schoven – weinigen rekenden erop dat de ‘eurogroep’ zo snel klaar was. „We moeten vooral nationale plannen coördineren”, vond Juncker. „Als we zuinig zijn, de verleiding weerstaan om met belastinggeld te smijten, moet dat werken.” Tijdens de eurogroep-vergadering, waarbij ook de voorzitter van de Europese Centrale Bank Jean-Claude Trichet aanschoof, werd duidelijk dat elk land eigen oplossingen wil.

Zo presenteert de Duitse regering morgen een economisch herstelplan. De Duitse minister Peer Steinbrück besprak dat gisteravond in Brussel. Volgens Almunia kan Duitsland zich zo’n plan nog permitteren. Duitsland is – net als Spanje – toen het economisch goed ging, redelijk zuinig geweest en „heeft daardoor meer manoeuvreerruimte dan anderen”. Te weten: Frankrijk en Italië.

En Ierland. Daar loopt het begrotingstekort zo hard op, dat dit land de regels van het Groei- en Stabiliteitspact overtreedt. De eurolanden hebben afgesproken dat ze de stabiliteit van de munt garanderen door hun begrotingstekorten onder de 3 procent van het bbp te houden. Anders volgen strafmaatregelen. Ierland zit bijna op 6 procent, Frankrijk en Italië rond de 3. Hun geluk is dat het pact in 2005 werd versoepeld. Frankrijk en Duitsland gingen in 2003 over de limiet en dwongen de Commissie „flexibiliteit” in het pact te bouwen. Onder uitzonderlijke omstandigheden, als het tekort tijdelijk is, niet veel meer dan 3 procent en als de overtreder aantoont dat hij het tekort poogt te verminderen, dan zal de Commissie niet ingrijpen.

Tegen Ierland begint de Commissie nu een procedure. Over strafmaatregelen nog geen woord. Gisteren verzekerde Juncker: „We versoepelen het pact niet verder. We passen de regels van het pact toe zoals ze zijn.” Volgens Almunia was hier „100 procent consensus over”. Minister Bos zei: „We hebben een pact en dat is hét instrument om het economisch beleid van landen te coördineren.”

Maar de vrees is dat bepaalde landen het erop aan laten komen. Dat zij de Commissie dwingen het elastiek zo op te rekken dat het zijn oude lengte niet terugkrijgt. Of dat het knapt.