Pakistan wil geld, maar geen voorwaarden

Pakistan staat op het punt noodhulp van het IMF te aanvaarden. Maar de president probeert nog elders fondsen te werven, want het land ziet op tegen de strenge IMF-eisen.

Vandaag stapt de Pakistaanse president Asif Ali Zardari op het vliegtuig naar Jeddah. Aan de weduwnaar van de vorig jaar vermoorde ex-premier Benazir Bhutto ligt het niet dat het vrijwel failliete Pakistan moet aankloppen bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF) voor noodhulp. Drie weken geleden werd Zardari al uiterst vriendelijk ontvangen in Peking. Maar hij kreeg geen geld toegestopt. Ook de Saoedische koning Abdullah Bin Abdul Aziz zal hem in Jeddah met alle egards tegemoet treden, maar het is zeer twijfelachtig dat Zardari’s dringende verzoek om goedkope olie zal worden gehonoreerd.

Er kan echter geen misverstand over bestaan: China, Saoedi-Arabië en alle andere sympathisanten die zich hebben verenigd in de ‘vriendenclub van Pakistan’ – de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Arabische Emiraten, de EU en de VN – dragen president Zardari en zijn democratisch gekozen regering een warm hart toe. Niemand heeft er behoefte aan om Pakistan, steeds nadrukkelijker frontstaat in de strijd tegen de Talibaan en Al-Qaeda, in de steek te laten. In tegendeel: iedereen wil helpen. Maar tegelijkertijd bestaat er opvallende eensgezind over de noodzaak dat de hulpoperatie voor Pakistan moet geschieden onder regie van het IMF.

Pakistan legt zich daarom neer bij het primaat van het IMF. Afgelopen week hebben functionarissen van het fonds en een Pakistaanse delegatie in Dubai onderhandeld over de voorwaarden van een economisch stabiliseringspact. Er is nog niet op alle punten overeenstemming, maar aangenomen wordt dat Pakistan zich binnenkort formeel voegt in het rijtje landen – IJsland, Hongarije en Oekraïne – dat de afgelopen weken noodkredieten heeft geaccepteerd.

Voor Pakistan is de bedelgang naar het IMF de „laatste optie”, zei president Zardari in een interview met de Saudi Gazette aan de vooravond van zijn bezoek aan Jeddah. En na een korte aarzeling: „In feite moeten we de optie van het IMF beschouwen als een medicijn dat uiteindelijk onze noodlijdende economie zal genezen.”

Voor Zardari is het niet zo gemakkelijk deze woorden uit te spreken. Zijn vermaledijde voorganger, generaal Pervez Musharraf, slaagde er vier jaar geleden juist in het IMF de deur uit te werken. Dat kon hij doen omdat Pakistan, zoals triomfantelijk beschreven in Musharrafs memoires, op eigen initiatief orde op zaken had gesteld en het door het fonds opgelegde programma van hervormingen vroegtijdig had afgerond. Ook van IMF-zijde werd daar bewonderend over gesproken. „Zoals nu valt te voorzien zal Pakistan […] kunnen blijven rekenen op groeiend vertrouwen van de internationale kapitaalmarkten”, aldus de IMF-vertegenwoordiger in Pakistan, Henri Ghesquiere, in 2003.

Maar in de laatste jaren van het bewind van Musharraf begon dat internationale vertrouwen alweer af te kalven, ondanks aanhoudende Amerikaanse financiële steun voor de strijd tegen het internationale terrorisme. Dit jaar ging het helemaal bergafwaarts. Dat kwam door de stijgende grondstoffenprijzen op de wereldmarkt en de slinkende exportmogelijkheden voor Pakistaanse bedrijven.

Maar minstens zo desastreus is volgens sommige ondernemers het gebrek van economische sturing vanuit Islamabad. Illustratief is dat er sinds het vertrek van de Pakistaanse Moslimliga uit de regeringscoalitie eerder dit jaar geen minister van Financiën meer is. De nog niet zo lang geleden benoemde toponderhandelaar met het IMF, oud-bankier Shaukat Tareen, is formeel ‘financieel adviseur’ van premier Yousuf Gilani.

Diezelfde Tareen bereidt het publiek in eigen land nu voor op de de dingen die gaan komen. Erg lang kan niet meer worden gewacht. Drie weken geleden nog werd gemeld dat de totale buitenlandse reserves waren geslonken tot 7,75 miljard dollar (waarvan 4,34 miljard dollar in handen van de centrale bank). Dat was net voldoende om de invoer gedurende twee maanden te dekken. Inmiddels is er nog 6,9 miljard dollar aan reserves over (waarvan 3,71 miljard dollar van de centrale bank).

Volgens sommige bronnen heeft het IMF ingestemd met een bijstandspakket van 9,6 miljard gedurende twee jaar. Maar veel belangrijker dan de hoogte van het bedrag zijn de voorwaarden.

Zo hamert het IMF op renteverhoging om de gierende inflatie (bijna 25 procent) te beteugelen, op begrotingsdiscipline, op ingrijpende bezuinigingen op allerlei niet-productieve overheidsuitgaven en subsidies (voor boeren, industriëlen én consumenten), op verbreding van de belastingheffing (ook rijke landheren zouden belasting moeten gaan betalen) en op een strakker monetair beleid van de centrale bank. Zo moet de centrale bank ophouden geld naar de regering te sluizen, die daarmee subsidies uitdeelt en werkgelegenheidsprojecten voor arme mensen financiert – hoe lovenswaardig dat laatste ook is.

Al die maatregen doen pijn. Zardari wijst erop dat zijn land een cruciale partner is in de strijd tegen het internationale terrorisme en dat het daarom niet hardvochtig moet worden bejegend. Alleen daarom al zijn bezuinigingen op defensie, zoals is gesuggereerd, taboe, zegt hij. Tegelijkertijd moet zijn Pakistaanse Volkspartij zich kunnen blijven profileren als de partij die opkomt voor de armsten in de samenleving.

Maar ook bij ondernemers bestaat tegenstand. „Als de rente omhooggaat, nieuwe belastingen worden opgelegd en de rupee devalueert, komen bedrijfsleven en industrie in grote problemen. De kosten zullen sterk stijgen en we zullen ten onder gaan”, aldus een ondernemer in het dagblad Dawn.

En wat schreef ex-president Musharraf in zijn hagiografie In the Line of Fire?: „De les die ik heb geleerd […] van onze relatie met het IMF is dat we de schuld van onze eigen onvolkomenheden niet op het bordje van het IMF moeten schuiven en dat we het IMF niet moeten gebruiken als zondebok.”