Les Belges font la loi

‘Kent ge me nog’, vroeg de man met (Belgisch-)Limburgse tongval. Op de Utrechtse beurs Bike Motion had ik mijn optredentje in het Literair Wielercafé er op zitten; ik sjokte tussen de stands door en betastte als een verliefd knaapje het tentoongestelde racemateriaal. Met uitgestoken hand kwam hij op me af.

Ik greep de hand. De badge op de trui vermeldde inderdaad de naam die ik al aan het gezicht gekoppeld had. Voor me stond Danny de Bie. Niet de wereldkampioen veldrijden van 1989, maar dé Danny de Bie.

„Ik wist niet dat je bij Colnago werkte”, zei ik.

„O, daar zit ik al zo lang.” Hij voegde eraan toe dat hij vreesde voor de omzet nu Rabobank op de fietsen van Giant gaat rijden.

„Weet je dat ik veel spijt heb”, zei hij toen. Zijn gezicht betrok. Ja, verschrikkelijk veel spijt had hij dat hij nooit professional was geworden. Die stap had hij nooit durven zetten. Voor zekerheid had hij gekozen. Maatschappelijke zekerheid.

„Jij hebt tenminste nog wat meegemaakt”, zuchtte hij.

„Maar ik heb ook veel geluk gehad.”

Ik keek in zijn ogen en zag dat hij zich opeens in een ver, gemeenschappelijk verleden bevond. En ook ik maakte de lange afdaling in de tijd. Ik zag een jonge Danny de Bie gestroomlijnd op de machine liggen in de zomer van 1979. Het was tijdens de Tour Européen, een zesdaagse wedstrijd voor amateurwielrenners die overigens maar drie landen bestreek, en die een potige finale kende in de Vogezen. Niet alleen werkte Danny zich uit de naad voor zijn kopman en leider in de wedstrijd, Ronny Claes, maar ook voor die vreemde eend op positie drie van de rangschikking, te weten ondergetekende. En met succes. ‘Les Belges font la loi’, kopte een krant een dag later.

Die zes magistrale dagen reed ik als gastrenner voor de wielerclub Sport en Steun uit Leopoldsburg. Hoewel van Nederlandse bloede werd in de uitslagen achter mijn naam consequent de afkorting ‘BEL’ vermeld. Ik was er fier op. Wij, Belgen, dicteerden immers de wet.

„Wat is er eigenlijk van Luc G. terechtgekomen”, vroeg ik aan Danny.

„Ach, Luc.”

Luc G. was toen soigneur van Sport en Steun. Hij had ergens voor gezeten en was een beetje verslaafd aan de amfetaminen. Dit machtige, archaïsche tableau rees opeens als een haarscherp museumstuk omhoog uit de herinnering: wij verkenden het parcours van de afsluitende tijdrit. De ploegleidersauto reed achter ons. Ergens in het groene heuvels gingen de remmen toe. Achter de wagen ontblootten een paar renners hun billen. Luc G. joeg er met vaardige hand een paar cafeïnespuiten in terwijl hij bleef uitkraaien: ‘Héla, héla, les Belges font la loi’.

Betekende de weemoedige glimlach op zijn gezicht dat Danny de Bie hetzelfde zag?