Jan Steen moet Haags bezit blijven...

De schoondochter van Goudstikker krijgt de helft van een Jan Steen en mag de rest kopen. Een vereniging van liefhebbers moet dat voortaan voorkomen, zegt Albert Blankert.

Er is een belangenvereniging van museumliefhebbers nodig, al was het maar om te voorkomen dat openbaar kunstbezit maar raak wordt vervreemd. Vorige week werd besloten dat twee aan elkaar gehechte doeken van Jan Steen van het Haagse Bredius Museum naar Marei von Saher moeten gaan, de schoondochter van de in 1940 op de vlucht voor de Duitsers verongelukte joodse kunsthandelaar Goudstikker. Na een uitspraak van de Restitutiecommissie kreeg Saher in 2006 al 202 Nederlandse schilderijen die tot de handelsvoorraad van Goudstikker hadden behoord en in bezit van het Rijk waren gekomen. Jan Steens ‘De Bruiloft van Tobias en Sara’ was ook van Goudstikker geweest. Het kon alleen niet worden teruggegeven omdat het sinds 1996 één onverbrekelijk geheel vormt met Steens ‘De aartsengel Rafael’, die de grote kunstgeleerde Abraham Bredius met zijn collectie aan de Den Haag naliet. Gebleken was dat beide delen onderdeel uitmaakten van één schilderij. Samenvoeging was gecompliceerd, want er waren twee eigenaren. Maar tenslotte verkregen we „één van Steens belangrijkste werken”, waarop „de figuren behoren tot de meest monumentale die hij gecreëerd heeft”, aldus Lyckle de Vries in zijn dissertatie over Steen. Het werd de trots van het museum dat het „maakte”.

Dat het Rijk zijn helft, ‘De bruiloft van Tobias en Sara’ weggaf aan Saher, leek voor alle insiders een rare vergissing, die op rechtzetting wachtte. Tenslotte kwam de ijskoude douche. Wethouder Jetta Klijnsma van Den Haag zegt nu het Brediusdeel te verkopen aan Saher voor een flink bedrag, dat echter een fractie is van de verwachte opbrengst van het geheel. De gemeente Den Haag, aldus Klijnsma, had en vond geen geld om de Saher-helft te kopen. Hun verkoopplan legden de twee dames vrijwillig voor aan een bindende arbitragecommissie, die het bekrachtigde. Dat is een waterdichte manier om het complete kapitale schilderij ons land uit te werken.

Maar waar bemoeit Klijnsma zich mee? De gemeente Den Haag vindt het bezitten van het Bredius Museum zo zorgelijk dat zij het in 1985 sloot. Kunstlievende particulieren mochten het beheer overnemen. Zij heropenden het in 1990. Wegens de Steenkwestie nam Klijnsma plotseling het stokje weer over. Maar waarom dacht zij dat zij financieel moest opdraaien voor de gevolgen van de daden van het Rijk? Het Rijk had het weggeven van zijn kunstcollectie bedacht en gedaan. Waarom stelde Klijnsma niet het Rijk aansprakelijk voor het in gevaar brengen van haar Haagse schilderij?

Alleen moet een rechter nog beslissen of het schilderij Den Haag mag verlaten. Bredius’ testament verbiedt dat. Zouden de inzichten en morele redenen op dat terrein zijn ‘verbeterd’?

Het regeringsbesluit van 2006 om 202 schilderijen uit de Goudstikkercollectie aan Saher te geven oogstte indertijd grote bijval van bijna de hele Tweede Kamer en alom in de pers. Eindelijk gerechtigheid, meende men. Het heette een geste, niet om juridische, maar om morele redenen, gebaseerd op verbeterde inzichten. Prachtig.

Een paar dwarsliggers memoreerden dat de regering al in 1952 met Goudstikkers weduwe overeen was gekomen om de schilderijen te mogen behouden. Pas in 1997, lang na de dood van Goudstikkers weduwe en die van haar enige zoon, kwam haar Amerikaanse schoondochter Saher met bezwaren. In 1999 vond het Haagse Gerechtshof die ongegrond. Het is een hellend vlak om zo’n vonnis te negeren, vooral wegens de precedentwerking, aldus de critici. Het nu beter willen weten dan onze voorgangers is een illusie.

Die kritiek bleek terecht. Al dadelijk brak een woeste juridische strijd uit om de buit tussen Saher en haar advocaten. De bedoeling leek slechts een zo hoog mogelijke opbrengst van de schilderijen. Rudi Ekkart, die het regeringsbesluit instigeerde, was ontsteld. Het Dordts museum wilde dolgraag Van Goyen’s Gezicht op Dordrecht behouden. Het moest Saher een wurgprijs betalen die dik het dubbele was van wat de allerduurste Van Goyen ooit opbracht. Sahers succes inspireerde andere goudzoekers tot de meest dwaze eisen, die de overheid niet kan wegwuiven. Particulieren worden gechanteerd met de beweerde herkomst uit oorlogsroof van schilderijen.

Grote rijkdom wordt altijd zwaar belaagd, zodat je je daartegen moet wapenen en op je hoede zijn. Het is zorgelijk dat weinig wordt beseft dat Nederland als enige echte rijkdom zijn musea heeft, zodat dat een ‘speerpunt’ zou moeten zijn. Een vereniging van museumliefhebbers, net zoals al bestaat van treinreizigers, patiënten en huisbezitters, kan zich inzetten voor hun belangen. Naar zo’n vereniging mag de rechter luisteren als Klijnsma hem straks haar onzalige exportplan voorlegt. Naar een gewone burger mag hij dat niet. Als de rechter de export even tegenhoudt, kan de regering worden aangespoord alsnog af te zien van het schaden van Haags Gemeentelijk kunstbezit en de Saher-helft te kopen.

Albert Blankert is kunsthistoricus.

Kijk voor eerdere artikelen over de Goudstikkeraffaire op nrc.nl/opinie