In Ravel is Prats de techniek voorbij

Klassiek Jorge Luis Prats, piano. Gehoord: 2/11 Concertgebouw, A’dam. Radio 4: 23/11 20u. Registratie op www.monteverdi.tv. ***

Zijn ‘officiële’ biografie lijkt op die van elke pianist, vol beroemde leraren, belangrijke prijzen en memorabele optredens en opnamen. Maar de Cubaan Jorge Luis Prats, die zondag als 52-jarige debuteerde in de serie Meesterpianisten, ontwikkelde die carrière in een moeizame en dubbelzinnige strijd met de bureaucratie van zijn vaderland. Hij kreeg kansen, maar nog meer werden er hem onthouden. Prats verliet Cuba, maar zijn concertcarrière stond de laatste jaren toch op een laag pitje, wat zijn verlate Amsterdamse debuut meteen ook iets van een comeback gaf.

Hij begon het concert symbolisch met muziek die een brug tussen de West-Europese muziekgeschiedenis en het Latijns-Amerikaanse component slaat: de vierde suite uit Villa-Lobos’ Bachianas brasileiras, waarin de componist wilde laten horen hoe de muziek van Bach aan álle muziek op de wereld ten grondslag ligt, zelfs aan die van de Braziliaanse indianen.

Prats benaderde de stukken vanuit de melodie, met een in schaduwtinten gehulde begeleiding, en sterke, maar niet altijd even genuanceerd aangezette hoofdlijnen.

Expressiever speelde hij in Granados’ Goyescas, van het zwierende Los Requiebros tot het dreigende El Amor y la Muerte. Dat tijdens de Fandango del Candil iemand in de zaal onwel werd, ontging Prats gelukkig volledig. Wel leidde zijn bereidheid om risico’s te nemen geregeld tot het onbedoeld indrukken van naburige toetsen.

Wie naar het ‘Cubaanse’ in Prats’ spel zoekt, komt uit bij zijn linkerhand. Hij houdt van een goede baslijn, liefst enigszins syncoperend, en als hij die vindt – zelfs al is het in ‘Scarbo’ uit Ravels super-Franse Gaspard de la Nuit – aarzelt hij niet die aan te zetten.

In Alta Gracia, een weinig opzienbarende tango-compositie van de Cubaan Carlos Fariñas, ging hij met die linkerhand soms wel erg bot te werk. Hoe je écht een dans ontleedt, husselt, en weer in elkaar zet, was te horen in Ravels La Valse, zonder meer het hoogtepunt van de avond. Prats was hier bíjna alle techniek voorbij, spelend met kleuren en lijnen, het stuk in een perfect aangevoelde bezeten versnelling tot een grootse ontknoping voerend.

In drie Cubaanse toegiften liet hij zich daarna van zijn humoristische kant zien, met een speelse glissando-mazurka en een op de pianoklep geroffeld dansritme – Prats was duidelijk minstens zo blij met de avond als zijn publiek.