'In mijn knollentuin met mijn iPhone'

Spreekwoorden lijken eigendom van oude mensen, zegt Hugo Brandt Corstius. Afshin Afkari vertaalde er zevenduizend in het Perzisch. Billen of suikermeloenen?

Afshin Afkari, een Iraniër die al dertig jaar in Nederland woont, heeft een idioomwoordenboek Nederlands-Perzisch vervaardigd. Daarin verklaart hij zevenduizend Nederlandse uitdrukkingen in het Perzisch. Dingen als: amok maken, iemand met argusogen bekijken, en Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd.

Het boek, uitgegeven door Amsterdam University Press (520 pag. € 29,50), werd afgelopen vrijdag gepresenteerd in Amsterdam en letterkundige Hugo Brandt Corstius was uitgenodigd om de rol van criticus te spelen. De bedenker van het Opperlands (dat alle bijzondere Nederlandse taalverschijnselen betreft) begint hoffelijk: „Ik heb op internet gelezen dat het Perzisch minstens twee keer zo oud is als het Nederlands en minstens twee keer zoveel sprekers heeft.”

„Een woordenboek is toch vooral voor lezen en schrijven”, begint Brandt Corstius zijn kritiek. „Veel van de uitdrukkingen in dit boek komen uit het mondeling taalgebruik. Flikker op, sodemieter op: dat zoek je niet op.”

Afkari: „Ik ben zoveel mogelijk uitgegaan van courante uitdrukkingen, die wij als buitenlander veel tegenkomen in het dagelijks leven.” Hij vertelt dat hij is begonnen met vijftienduizend uitdrukkingen, maar dat aantal om praktische redenen moest uitdunnen tot de helft. Hij hield toen ongeveer het Nederlands over dat hij in de krant las of op straat hoorde.

„U heeft al die woorden echt gehoord?”, zegt Brandt Corstius verbaasd. „Er staan er bij die ik nooit hoor. Of die mensen niet tegen mij durven zeggen, dat zou ook kunnen.”

„De meesten van mijn vrienden zijn oudere mensen”, zegt Afkari. En ja, veel van hen zijn taalkundige – een speciaal slag mensen.

Brandt Corstius: „Als iemand zegt ‘Ik ben zo in mijn knollentuin met mijn nieuwe iPhone’, dan weet ik: die is boven de zeventig.” Om er vervolgens mild aan toe te voegen: „Woordenboeken bevatten altijd duizenden woorden die niemand kent. Maar dat is juist ook het aardige van woordenboeken.”

Hij vertelt dat hij voor Het Parool soms spreekwoordraadsels bedenkt, waarin alleen de eerste letter van ieder woord wordt gegeven. De ingezonden oplossingen komen altijd van oudere mensen. „Spreekwoorden lijken wel het eigendom van oude mensen. Daar zit iets heel raars in...”

Vervolgens pakt hij de krant van gisteren erbij en laat zien hoe in bijna iedere zin wel een of andere idiomatische uitdrukking zit: „Als je erop gaat letten, blijkt er zoveel idioom in het Nederlands te zijn, dat je zou uitkomen op een woordenboek dat minstens tien keer zo dik is.” „Helemaal mee eens”, zegt Afkari.

Het probleem is ook, vindt Brandt Corstius, dat we eigenlijk maar heel weinig begrijpen van hoe idioom in elkaar zit. „Bijvoorbeeld idioom als: Flikker op! Sodemieter op! Geef op! Hou op! Zet ’m op! Vlieg op! Emmer op! Dat ‘op’ heeft niks met de oorspronkelijke betekenis te maken. Juist door dat ‘op’ wordt het idioom. Ik zou graag in een woordenboek willen lezen hoe dat kan.”

Soms kon Afkari het Nederlands letterlijk vertalen, soms moest hij zijn toevlucht nemen tot een Perzische uitdrukking of zegswijze. Wie voor een dubbeltje geboren wordt, wordt nooit een kwartje, werd in het Perzisch: een kind van een bedelaar wordt nooit een koning.

Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten, werd: Wie een suikermeloen eet, moet ook de rillingen voor lief nemen. Suikermeloenen zijn mierzoet, legt Afkari uit, zo zoet dat je ervan gaat rillen.

Brandt Corstius: „Billen of suikermeloenen – dat maakt nog wel wat uit volgens mij.”