Hoe populisme Amerika kan redden

Doeschka Meijsing had haar dankwoord klaar, voor het geval ze de AKO Literatuurprijs zou winnen voor de roman Over de liefde. Dat vertelde ze desgevraagd vorige week woensdag bij Pauw & Witteman, in een van de zes gesprekken met de voor die prijs genomineerde schrijvers.

Maar toen Meijsing tegen haar eigen verwachting in gisteravond werd bekroond, in een rechtstreekse uitzending van hetzelfde programma vanuit het Kurhaus in Scheveningen, mocht ze het niet uitspreken. Ze kwam zelfs nauwelijks aan het woord in een programma waar wel meer op aan te merken viel, zoals het mallotige optreden van spreekstalmeester Martin Ros. Die bezwaren vallen in het niet bij de euforie die zich van me meester maakt als een uur lang op televisie over een prijs wordt gepraat die niet door kijkers via sms of internet is toegekend, maar door een jury van hardwerkende deskundigen. Dat komt namelijk bijna niet meer voor, omdat de kijker het altijd het best lijkt te weten.

De adoptie van een literaire prijs door een populair dagelijks programma, dat alle genomineerden interviewt, levert wel iets op. De meeste van die gesprekken graven niet zo diep, al kreeg Tomas Lieske wel degelijk de kans kort in te gaan op de techniek van het schrijversambacht. Bovendien werkt de aandacht die Pauw & Witteman aan boeken en schrijvers besteden aanstekelijker dan die in het zondag voor de tweede keer uitgezonden magazine Iets met boeken (VPRO/Canvas). Dat programma valt op door zijn klinische steriliteit, waarbij de schoolse redactionele voorbereiding weinig ruimte laat voor improvisatie.

Televisie draait om emotie, maar dat hoeft niet te betekenen dat het nergens over mag gaan. Wat heeft het nu voor zin om al die redacteuren en medewerkers voor de verkiezingen naar Amerika te sturen als ze met niets beters weten te komen dan een clubhuis vol Nederlanders in New York (Nova) of het obligate bezoek aan de kapper van Barack Obama in South Chicago (Netwerk en Gerri Eickhof in het NOS Journaal)?

Groter contrast is nauwelijks denkbaar dan met het gesprek dat Chris Kijne in Tegenlicht (VPRO) voerde met „de beste geschiedenisleraar ter wereld”. In een briljant college vatte de Britse, al jaren in de Verenigde Staten wonende en werkende historicus Simon Schama zijn BBC-serie en boek The American Future, A History puntig en met gevoel voor humor samen.

In Schama’s visie staat zowel Obama als McCain elk in een lange Amerikaanse traditie, waar ze zich zeer bewust van zijn. Hij onderscheidt vier gebieden waarop zij elkaars historische tegenpool zijn: militaire en religieuze opvattingen, immigratie en het typisch Amerikaanse gevoel van onbeperkte mogelijkheden (American Plenty). Obama sluit aan bij Thomas Jeffersons idee dat Amerika een vrijwilligersleger zou moeten hebben dat alleen vecht als het echt nodig is, McCain staat voor een sterk militair-industrieel complex van professionals. Religie is niet altijd een conservatief domein geweest in de Amerikaanse geschiedenis. De puriteinen waren tegen godsdienstdwang en hun doorleefde geloof sloot een theocratie uit. Obama weet goed welke rol de kerken hebben gespeeld bij de afschaffing van de slavernij. De kandidaten hebben tegengestelde opvattingen over de onuitputtelijkheid van bijvoorbeeld energiebronnen.

Schama noemt Obama een populistische politicus, omdat hij terugkeert naar de politieke grassroots, waardoor het land weer zijn elan zou kunnen terugvinden. Al begin januari bij de voorverkiezingen in Iowa wist Schama dat er iets revolutionairs stond te gebeuren. Wat hij wel had verwacht was een felle racistische tegencampagne, die grotendeels uitbleef. Sinds Benjamin Franklin, die zich verzette tegen de komst van Duitse immigranten naar Pennsylvania, is het land altijd veel minder open geweest voor nieuwe Amerikanen die niet van „de goede soort” waren dan de rest van de wereld dacht. Maar Amerika blijft verrassen, stelt Schama, in precies het nuancerende en erudiete betoog dat je aan de vooravond van een echte verandering zou willen horen. Nu alleen nog de complete BBC-serie, graag.