De ziener Simon en de arme keizer Wilhelm

Kees ’t Hart: De keizer en de astroloog. Querido, 310 blz. € 18,95 **

Gelezen wordt hij nauwelijks meer, en al helemaal niet door 45-minners. Maar als fenomeen is Simon Vestdijk (1898-1971) niet uit de Nederlandse literatuur weg te branden – vooral dankzij een generatie romanciers die zijn 52 romans nog met de paplepel ingegoten kreeg. Onder wie Kees ’t Hart. Zijn laatste roman De keizer en de astroloog is een loepzuivere Vestdijk-pastiche waarin een jonge arts (en schrijver-in-ontwikkeling) met de naam Simon een hoofdrol speelt.

Plaats van handeling is Doorn, het provinciedorp waar Vestdijk de laatste dertig jaar van zijn leven woonde maar dat in de jaren twintig een nog veel beroemder inwoner had: de voormalige Duitse keizer Wilhelm II, die na de Eerste Wereldoorlog in Nederland asiel had gekregen. In Huis Doorn wachtte de gevluchte vorst vergeefs op de dag dat zijn volk hem zou terugroepen. Hij verdreef zijn verveling met het voeren van een hofhouding en houthakken. Een symbolische handeling, volgens de hoofdpersoon van ’t Harts roman: ‘Bomen omhakken die op oude vijanden leken of op spoken uit het verleden die iemand voort konden jagen tot er geen houden meer aan was.’

De dertigjarige Simon, psychiater in opleiding, komt aan het hof als kenner van de astrologie – een pseudowetenschap die door de Kaiser hoog wordt aangeslagen – maar vooral als assistent van zijn hoogleraar Godefroy, die met extreme experimenten de getroebleerde geest van Wilhelm tot rust probeert te laten komen. Want de ex-keizer is verknipt, zowel door zijn onverwachte val als door zijn afschuwelijke jeugd, die geregeerd werd door het trauma – een mismaakt armpje – dat hij opliep bij zijn geboorte. Simon zelf is ook niet helemaal normaal: hij lijdt aan vlagen van schijnbaar goddelijk inzicht, ‘godjeswanen’ noemt hij die. Tegelijkertijd weet hij dat hij niet meer is dan ‘een armzalige ziener, een soort profeet die het leven van anderen meende te doorzien, of wilde doorzien, en die zichzelf wijsmaakte dat de inzichten niet in hem ontstonden maar buiten hem om, terwijl hij wist dat dit niet mogelijk kon zijn.’

De parallel tussen Simon en Wilhelm wordt versterkt doordat ze aan het slot op min of meer hetzelfde moment ‘genezen’ worden: de keizer zogenaamd door de behandeling van Godefroy, en Simon door het inzicht dat hij niet in de wieg is gelegd voor psychiater en ‘dat hij zijn godjeswanen in dienst zou moeten stellen van iets anders. […] Hij wist ineens wat hem te doen stond. […] Romans schrijven, niet één maar vele’.

De laatste, sublieme bladzijden van De keizer en de astroloog beschrijven de wording van een schrijver – niet toevallig de schrijver die Kees ’t Hart zo dierbaar is. Maar gezegd moet worden dat de weg naar Simons verlichting nogal lang is. In elk geval voor de lezer, die er dan al vele bladzijden met weinig opwindende hofperikelen, astrologische uitweidingen en uitgewalste couleur locale op heeft zitten. ’t Harts fantasierijke conjunctie van de supersterren S. Vestdijk en Wilhelm II was een flinke novelle waard geweest, maar geen roman van driehonderd pagina’s, hoezeer het verhaal ook wordt verlucht met verrassende bespiegelingen en geestige scènes. Vestdijk-minnaars zullen er van smullen. Maar Kees ’t Hart-fans zullen blijer worden van herlezing van De revue (1999) of Ter navolging (2004).

Pieter Steinz