Bos mag met mate zijn gang gaan

Mag het begrotingstekort ver oplopen om de crisis te bestrijden? Ja, als de staat daarna weer terugtreedt, vinden de experts. En dat is nogal een big if.

Mag minister Bos toestaan dat het begrotingssaldo diep in het rood gaat? Dat was de vraag die vorige week werd opgeworpen. De kosten van de kredietcrisis lopen – hopelijk tijdelijk – flink op, en een deel daarvan loopt via de begroting. Bovendien gaat Nederland, net als de rest van de westerse wereld, waarschijnlijk een flinke recessie tegemoet. Gerefereerd werd aan Zweden, dat begin jaren negentig werd geteisterd door een bankencrisis en een zware recessie, maar snel ingreep en het begrotingstekort ver liep oplopen. Dat bleek beter te helpen dan de aarzelende Japanse aanpak van datzelfde probleem. Is het Zweedse model de moeite waard om na te volgen?

„De kredietcrisis is sinds de periode 1980-1982 de eerste serieuze problematische periode voor continentaal Europa”, stelt Elmer Sterken, hoogleraar monetaire economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Om de reële effecten tegen te gaan is een combinatie van beleid nodig. De ECB zal de kostenvoet van het aantrekken van vermogen door banken moeten verlagen. Daarnaast dient gerichte steun aan kredietvragers gegeven te worden.”

Tot zover het door hem geprefereerde beleid ten aanzien van de financiële sector. „Maar ook budgettair ligt er een taak. Als er zulke duidelijke signalen als nu zijn dat er een recessie komt – de vraag is niet wanneer, maar hoe diep en hoe lang? – dient de schroom van het gebruik van budgettaire wapens afgeworpen te worden. Er moet nagedacht worden over het stimuleren van de vraag, maar niet zo blind als in de jaren zeventig. De moeilijkheid zit in het niet verstoren van een goede structuur van het aanbod. Maar tijdelijk de lasten op goederen en arbeid verlagen lijkt noodzakelijk. Tijdelijk, dus aankondigen onder welke condities men weer terugkeert naar normaal.”

Mag een oplopend tekort van Brussel? „Een weldenkend mens beseft dat buitengewone tijden ook buitengewone stappen vereisen”, zegt Harry van Dalen, van de Universiteit Tilburg. „De afspraken in het Stabiliteits- en Groeipact zijn nu eenmaal niet meer dan afspraken; conventies omdat er toch een vuistregel in 1991 op papier moest staan. [...] In het geval van negatieve economische groei is een tekort van meer dan 3 procent toegestaan. Toch zal hier voorzichtig mee omgegaan moeten worden, omdat notoire ‘begrotingstekortschieters’ als Italië en Griekenland een hoge staatsschuld hebben, en ruimte om het tekort op te laten lopen zal beperkt zijn. Toch zal de komende jaren de belangrijkste testcase voor de EMU zijn om te zien hoe de kredietcrisis gecoördineerd aangepakt kan worden, omdat lageschuldlanden de hogeschuldlanden wellicht tegemoet moeten komen. Coördinatie zou moeten voorkomen dat tekorten worden gegenereerd voor doeleinden die niets met de herstructurering van het bank- en verzekeringswezen te maken hebben. De komende jaren wordt duidelijk hoe ver de solidariteit tussen lidstaten gaat.”

Simpelweg roepen dat er een keynesiaans stimuleringsbeleid moet worden gevoerd is volgens Van Dalen te kort door de bocht. „De grootste illusie die we vandaag de dag kunnen oplopen is dezelfde illusie over overheidsingrepen die vlak na de Tweede Wereldoorlog de beleidswereld beheerste. De overheid fungeerde in tijden van extreme crises naar wens, en de verleiding is groot om te denken dat in vredestijd ook het leven volgens centralistische plannen gedicteerd kan worden.”

Ook Roel Beetsma, hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam, vreest voor de gevolgen voor de langere termijn. „De noodzaak van het ingrijpen in de financiële sector moet niet verward worden met de eventuele wenselijkheid of onwenselijkheid van een keynesiaanse stimulering om de teruggang van de reële economie te dempen. Voor zo’n stimulering is het naar mijn mening nog te vroeg, omdat de arbeidsmarkt nog steeds krap is. Bovendien bestaat altijd het gevaar dat de stimulering moeilijk is terug te draaien als de eventuele groeivertraging weer voorbij is. De ervaring leert dat fine tuning van een fiscale stimulans bijna onmogelijk is.”

Volgens Beetsma is de belangrijkste vraag wat er gaat gebeuren met de opbrengsten op de leningen die de overheid heeft verschaft en de verkoop van de eventuele belangen in financiële ondernemingen wanneer de crisis voorbij is. „Deze moeten worden gebruikt voor aflossing van de staatsschuld (het omgekeerde van de huidige operaties), zodat er op lange termijn geen gevolgen meer zijn voor de overheidsfinanciën. Helaas lijkt de politiek zich hieraan niet te willen committeren. Het gevaar bestaat dus dat het gevolg van deze crisis een langetermijntoename van overheidsconsumptie en overdrachten zal zijn.”

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel.