Veranderingen in het hiernamaals

Dat het voorgeborchte alweer anderhalf jaar geleden officieel is afgeschaft, was ik vergeten. Ik stuitte op dit heuglijke feit in een artikel in Trouw van afgelopen zaterdag, waarin priester-dichter Huub Oosterhuis naar aanleiding van de katholieke feestdagen Allerheiligen en Allerzielen ondervraagd werd.

Geheel buiten mij om blijkt paus Benedictus XVI op 20 april 2007 het voorgeborchte bij het grofvuil te hebben gezet. Kan dat zomaar?

Ja, dat kan zomaar als je paus bent. Als de toenmalige paus vijftig jaar geleden beter naar mijn vader had geluisterd, zou het destijds al zijn gebeurd, maar de pausen van toen hadden wel wat beters te doen dan te luisteren naar sceptische gelovigen.

Als schoolkind was ik zeer gefascineerd door het voorgeborchte, omdat ik besefte dat ik er ook gemakkelijk in had kunnen belanden.

Het was geen hemel, geen hel en geen vagevuur – ook geen pretje overigens – maar een onbestemde ruimte aan de randen van de hel, een soort chique kinderhospitaal waar de zielen van ongedoopte, kleine kinderen vertoefden.

Die kinderen waren zó jong gestorven dat ze niet het doopsel hadden kunnen ontvangen. Daardoor waren ze niet in staat geweest zich van de erfzonde te bevrijden. Dat betekende dat ze nooit naar de hemel konden gaan, maar het zou al te barbaars zijn geweest om ze in de vlammen van de hel of het vagevuur te werpen – God was (en is) immers Liefde.

Hoe gezellig was het eigenlijk in dat voorgeborchte?

Aangezien je er de rest van de eeuwigheid moest rondhangen, mocht je verwachten dat er genoeg te doen viel en je niet altijd maar weer dezelfde stripverhalen van Dick Bos en Erik de Noorman moest lezen. Kon je er pingpongen en op de radio de Tour de France met het commentaar van Jan Cottaar volgen? Kwamen je ouders wel eens langs, of was je opgescheept met die frater die last had van een bedorven adem? En was het eten er een beetje lekker, of moest je elke dag aan de vissticks, net als thuis op vrijdag?

Geen geringe vragen.

Ik sprak er vaak met mijn vader over, maar die begon dan altijd een beetje meewarig te lachen. Hij wilde het godsdienstonderricht op school niet al te drastisch ondermijnen. Op zekere dag kwam het hoge woord er toch uit: „Ach, jongen, dat voorgeborchte, maak je niet druk, dat bestaat toch helemaal niet”.

Hij hield het erop dat een ongedoopt kindje gewoon in de hemel kon komen, al wist hij niet precies ‘hoe’ en ‘wat’. Ik fantaseerde meteen een intiem, kleurrijk kinderhemeltje bij elkaar met veel snoep, voetbal en door mij gewonnen hardlooprondjes.

Dat voorgeborchte, voegde mijn vader er altijd een beetje kwaaiig aan toe, kón eenvoudig niet omdat het ‘krankzinnig onrechtvaardig’ zou zijn om onschuldige kindertjes in zo’n rare, ongeluchte zolderkamer tot het einde der tijden opgesloten te houden.

Nu paus Benedictus XVI ook tot die conclusie gekomen is, is het er in het roomse hiernamaals een stuk overzichtelijker op geworden. Je gaat naar de hemel, de hel of het vagevuur, en wie daar ook allemaal niet in gelooft, kan gewoon doodvallen.

God is wel goed, maar niet gek.