Uitwijken naar Bukavuvanwege de oorlog

Journaliste Femke van Zeijl schrijft een boek over verstedelijking in Afrika.

Is het zinvol om hiervoor naar het door oorlog verscheurde Goma te reizen?

Dat het oorlog zou zijn in mijn volgende standplaats lag niet in de planning. Toen ik in januari Goma uitkoos als volgende stad voor mijn boek, was er net een wapenstilstand gesloten. Niet dat de bewoners van de Congolese provincies Noord- en Zuid-Kivu het verschil tussen oorlog en vrede nog kunnen onderscheiden: de regio is al meer dan vijftien jaar in de greep van geweld. Maar het was officieel een beetje rustig.

Hoe dicht het geweld onder de oppervlakte ligt in Goma, de hoofstad van Noord-Kivu, besefte ik twee jaar geleden toen ik er voor het eerst was. Ik wandelde met de Congolese Germaine door de stad. Voor ons liepen twee lange mannen in voddige kledij. Mijn gezelschap greep mijn arm en trok me naar zich toe. „Dat zijn er twee”, fluisterde ze. „Dat zijn Tutsi-soldaten.” Ik keek nog eens goed naar de slungelige types en kon me er weinig bij voorstellen, maar Germaine wist het zeker: „Ze gaan nu op tussen de gewone mensen, maar als het moet zijn ze zó weer op oorlogspad.”

Een week nadat ik vertrok, brak inderdaad de pleuris uit in Noord-Kivu. Laurent Nkunda, een afvallige Tutsi-generaal, had de wapens opgenomen en ongetwijfeld hadden de twee slungels waar Germaine en ik die middag achter liepen hun AK47 afgestoft en zich bij hem aangesloten.

Op Goma’s recente geschiedenis rust bepaald geen zegen. Goma ligt aan de grens met Rwanda. Na de Rwandese genocide in 1994 – waarbij in honderd dagen achthonderdduizend Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden vermoord – staken tienduizenden Hutu’s per uur die grens over. In korte tijd overspoelde een miljoen Rwandese vluchtelingen Goma, dat destijds zo’n 170.000 inwoners telde.

Er kwam een tot dan toe ongeëvenaarde internationale hulpactie op gang. Probleem was dat de vluchtelingenstroom bepaald niet bestond uit uitsluitend onschuldigen. Een deel van de Hutu’s had deelgenomen aan de slachtpartijen in Rwanda. In de kampen in Congo begonnen die extremistische milities, gevoed en gekleed door de internationale hulporganisaties, zich te hergroeperen.

De dreiging van deze Hutu-milities aan de grens is voor buurland Rwanda de reden Congo binnen te vallen in 1996. Het is het startsein van een oorlog die ook wel Afrika’s eerste wereldoorlog wordt genoemd: liefst negen landen mengden zich in het conflict. Officieel komt er in 2003 een einde aan de oorlog, maar het blijft onrustig in de Kivu-provincies in het oosten. Milities van diverse pluimage kunnen nog steeds straffeloos moorden en plunderen op het platteland en de soldaten van het Congolese leger gedragen zich net zo beroerd: hun optreden is inmiddels de grootste mensenrechtenbedreiging in het Midden-Afrikaanse land.

Maar het meest in het oog springend is het rebellenleger van Tutsi-generaal Nkunda. Hij zegt de Tutsi-bevolking te willen beschermen tegen de Hutu-milities die wat hem betreft niet doortastend genoeg worden bestreden door het Congolese leger. Zijn troepen zijn stukken beter gedisciplineerd en hij weet dan ook militaire vorderingen te maken.

Precies als ik vorige week vanuit hoofdstad Kinshasa naar Goma wil vliegen, komt het bericht dat de vluchten op die stad wegens de oorlog zijn afgelast. Nkunda en zijn rebellenleger zijn Goma tot zeven kilometer genaderd. Met het uur worden de berichten verontrustender. Het Congolese leger is op de vlucht en aan het plunderen geslagen.

Ik bel met Goma en hoor voor het eerst zelfs mijn vriend Nino in paniek. Zijn gezin zit opgesloten, ze durven de straat niet op waar regeringssoldaten hun wapens gebruiken om mensen hun geld afhandig te maken. Als het woensdag in Congo gonst van de geruchten dat Goma gevallen zou zijn, is de chaos compleet. Zoals zo vaak hebben de burgers ter plekke geen idee wat er precies aan de hand is, ze vragen mij in Kinshasa of ik meer weet. De doodsangst in hun stemmen grijpt me aan.

Ik voel me naast persoonlijk machteloos ook professioneel gefrustreerd: een journalist op de juiste tijd op de verkeerde plek. En de eerste kans om oostwaarts te reizen laat nog vijf dagen op zich wachten. De afgelopen week in Kinshasa bestond daar dan ook uit: wachten. Ik werk een artikel uit en speel wat met de baby van het Nederlandse stel waar ik logeer, ik interview eens een parlementariër uit Noord-Kivu en pieker vooral over hoe nu verder. Is het zinnig mezelf in oorlogsgebied te storten voor een boek over verstedelijking in Afrika?

Mijn journalistieke hart gaat sneller kloppen van zoveel actualiteit, maar voor een onderzoek naar de gevolgen van oorlog en conflict op de lange termijn is het niet zo'n geschikte periode. Daarnaast heeft door de krantenkoppen de laatste dagen de familie thuis nu ook door waar Goma ligt en heb ik nog nooit zoveel bezorgde berichtjes vanuit Nederland gehad. ‘Je gaat dáár toch niet heen hè, Fem?’ De doorslag gaf een telefoongesprek met een Belgische pater in Goma: ‘Zelfs als ge hier kunt geraken, zult ge de eerste weken geen zinnig gesprek kunnen hebben.’

Ik wijk uit naar mijn alternatief. Aan de overkant van het Kivumeer, op honderd kilometer van Goma, ligt Bukavu, een idyllische stad gebouwd op de groene heuvels aan een baai. Ook deze stad heeft zijn portie geweld gehad. Menigmaal werd Bukavu onder de voet gelopen door militairen. Meest vers in het geheugen ligt de meimiddag in 2004, toen troepen van Nkunda de stad innamen. Vooral ’s nachts gingen soldaten langs de deuren, rovend, moordend en verkrachtend. De twee weken die het beleg duurde zijn een inktzwart trauma voor de bijna één miljoen inwoners. Dat Bukavu in een angstpsychose verkeert nu diezelfde generaal in de provincie ten noorden ervan huishoudt, is begrijpelijk.

Toch vind je zelfs in dit soort situaties altijd mensen die het hoofd koel houden. In deze stad woonde ook papa Jérôme, de fotograaf van de generatie van mijn vader die me ‘ma fille’, noemde. Steeds als ik belde omdat ik had gelezen over hervattend geweld, stelde hij me gerust. ‘We zijn het gewend, ma fille, en in de media klinkt het altijd erger dan wij het ervaren.’

Geweld van veraf is enger dan van dichtbij, bezweer ik het thuisfront. En dat klopt ook. Wat we in de krant lezen over oorlog, is een uitvergroting van één aspect van de werkelijkheid. Zelfs als er wordt gevochten gaat het gewone leven door. Gaan vrouwen naar de markt, mannen naar de kroeg en spelen kinderen buiten.

Maar vanzelfsprekend heeft het voortdurende geweld wel effect op de omgeving. Bukavu is bepaald niet de enige stad in Afrika die mede is gevormd door oorlog. Vaak zijn steden het enige toevluchtsoord voor de bevolking in tijden van conflict. Wat doet oorlog met een stad en zijn bewoners? Wie profiteren van het geweld en de tekorten en wie gaan eraan onderdoor? Hoe verandert oorlog een samenleving sociaal, mentaal en economisch? Dat zijn vragen die ik de komende maand in Bukavu zal stellen.