Eén koe, dan stop ik met dieren op sterk water

De diamanten schedel maakte Hirst de beroemdste levende kunstenaar.

Het werk is nu te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam

Met een grote grijns zet Damien Hirst zijn kopje thee op de vloer van zijn kantoor in Londen. Hij stampt even op de grote ijzeren plaat die, als een vreemd soort tapijt, onder zijn voeten ligt. „Een Bruce Nauman”, zegt hij, met ondeugende ogen achter een donkere Prada-bril. „Die kan wel tegen een stootje.” Achter Hirst staan meer werken van zijn favoriete kunstenaars – een gravure van Albrecht Dürer en een groene elektrische stoel van Andy Warhol. Op zijn bureau prijkt een van Jeff Koons’ glimmende opblaasbeesten.

Maar het meest in het oog springend zijn de grimmige schilderijen die goudomlijst aan de muur hangen. Een ruggengraat licht blauwig op tegen een zwarte achtergrond die verder gevuld is met witte stippen. Het doek ernaast toont een schedel. De stijl, maar ook de formaten en het kleurgebruik doen direct denken aan de Britse schilder Francis Bacon. „Die zijn van mij”, zegt Hirst, als hij me ziet kijken naar de wonderlijke schilderijen. „Ik bedoel: ik heb ze gemaakt.”

Het is haast niet te geloven. Damien Hirst, de kunstenaar die wereldberoemd werd met zijn fabrieksmatig geproduceerde stippelschilderijen, die een vermogen vergaarde door anderen zijn kunst te laten uitvoeren, heeft zelf het penseel weer opgepakt. „Ik raakte verveeld”, zegt hij met groot gevoel voor understatement. „Jarenlang heb ik het schilderen ontweken. Ik liet machines of assistenten het werk doen. Maar twee jaar geleden begon het weer te kriebelen.”

De eerste resultaten waren zo vreselijk, zegt Hirst, dat hij zich er dood voor schaamde. En ook over deze nieuwe schilderijen is hij nog onzeker. „De invloed van Bacon is nog te duidelijk.”

Hirsts timide houding is opvallend. Is dit dezelfde kunstenaar die een kleine twintig jaar geleden de kunstwereld opschudde door een haai op sterk water te zetten? Die met al zijn bluf en bravoure tot het kopstuk van de Young British Artists uitgroeide? Niet alleen is Hirst de rijkste kunstenaar ter wereld, volgens Art Review is hij ook de meest invloedrijke persoon in de kunstwereld. Hij is de kunstenaar die op het krankzinnige idee kwam om een schedel van 8.601 diamanten te laten maken – en het nog kon betalen ook. En toch heeft ook hij zijn twijfels over hoe het verder moet.

„Ik denk niet dat ik ooit een eigen idee heb gehad, laat hij zich halverwege het gesprek opeens ontvallen. „Al mijn werk is gebaseerd op wat anderen gemaakt hebben.” Als voorbeeld noemt hij A Thousand Years uit 1990 waarin duizenden vliegen zich konden laven aan een rottende koeienkop om zich vervolgens te laten elektrocuteren door een vliegenlamp. „Daar zitten tal van referenties in. Het neonlicht is gepikt van Bruce Nauman, de kubus lijkt op een Sol LeWitt of een Dan Graham, en natuurlijk is er de gelijkenis met de aquaria van Jeff Koons. Op Goldsmiths, de kunstacademie die ik gevolgd heb, werden we gestimuleerd om te stelen van andere kunstenaars.” Zelfs For the Love of God, de diamanten schedel is volgens de kunstenaar een directe rip-off van een bestaand object. Hirst: „Die heb ik afgekeken van de Azteken.”

For the Love of God is zes weken te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam. Daarna vervolgt het zijn wereldtournee. Speciaal voor het museum stelde Hirst een tentoonstelling samen met werken uit de museumcollectie.

De diamanten schedel heeft zijn eigen ruimte gekregen. Grijnzend straalt het de bezoekers tegemoet – een angstaanjagend hoofd in een verleidelijk blingblingjasje. Zoveel loepzuivere diamanten waren er voor het kunstwerk nodig dat Hirst de markt in een paar jaar tijd zo goed als leeg heeft gekocht. „Zo’n project brengt wel een hoop zorgen met zich mee”, geeft hij toe. „Ik was als de dood dat het ding lelijk zou worden. Je denkt steeds: wat als het er straks idioot uitziet? Kan ik dan de diamanten er weer uithalen en terugverkopen? Het ging om zoveel geld, 17 miljoen euro. Moest ik dat er wel aan uitgeven?”

Had het niet een tikkeltje minder extravagant gekund? „Ik ben gaan nadenken over wat het maximale zou zijn waarmee je de dood te lijf zou kunnen gaan. Zo kwam ik op die diamanten. Natuurlijk heb ik me afgevraagd of het idee niet te decadent was. Of ik het geld niet zou moeten gebruiken om scholen en ziekenhuizen te bouwen. Maar toen gingen we het kunstwerk maken en ben ik er verliefd op geworden. Het resultaat heeft me echt verrast. Ik dacht dat het somber en naar zou worden, maar het is juist een heel optimistisch werk. Het beneemt je de adem. „Nu realiseer ik me: ja, je hebt ziekenhuizen en scholen nodig, maar je hebt ook kunst nodig en wel op dit niveau. ”

Zeven bedrijven telt het imperium van Damien Hirst inmiddels, waaronder de kunstcollectie Murderme, die alleen al een geschatte waarde heeft van 200 miljoen pond. Twee weken geleden opende Hirst zijn eigen winkel in de sjieke New Bond Street, waar hij kunstenaarsboeken en posters verkoopt. En over een jaar of vijf hoopt hij zijn eigen museum te beginnen in Toddington Manor, het immense landhuis in de Cotswolds dat hij drie jaar geleden voor drie miljoen pond kocht. In totaal heeft Hirst zo’n 180 man personeel voor hem werken op vijf verschillende locaties, waaronder een groot atelier in Gloucestershire.

Voelt hij zich ondertussen niet meer manager dan kunstenaar? „Ik ben meer een soort architect”, antwoordt Hirst. „Ik ontwerp dingen die ik door anderen laat uitvoeren. Mensen zeggen weleens dat mijn atelier net een fabriek is – alsof dat iets negatiefs is. Maar er is een verschil tussen een fabriek die hondenvoer maakt en een fabriek die, bijvoorbeeld, Ashton Martins maakt. Ik wil maar zeggen: er zijn ook briljante fabrieken. Andy Warhol heeft ervoor gezorgd dat het oké was om op die schaal kunstwerken te maken en er geld mee te verdienen. Daar ben ik hem dankbaar voor.

„Een vriend zei laatst: jij zou een hondendrol in een aquarium kunnen stoppen en het verkopen. Waarom zou ik? Wat is het nut daarvan als je ook prachtige dingen kunt maken en daar veel geld mee kunt verdienen?”

Toch is er juist op op de kwaliteit van Hirsts kunst de laatste tijd nogal wat aan te merken. Zijn recente tentoonstelling bij Sotheby’s was vooral een herhaling van zetten. Weer dezelfde vlinderschilderijen, nog meer dieren op sterk water. „Weet je”, reageert Hirst fel, „ik word overal om bekritiseerd. Maar ik ben de vent geweest die de fucking haai bedacht heeft. Dus waarom zou ik er niet nog eentje mogen maken?”

Dan opeens zegt Hirst, tussen neus en lippen door, dat hij van plan is te stoppen met zijn bestaande series. Hij heeft genoeg van de vlinderwerken en de medicijnkastjes. Er zullen geen ‘spin paintings’ – schilderijen waarop de verf met centrifugerende kracht is verdeeld – meer uit zijn kunstfabriek komen rollen. „Ik wil eerst wat zekerder worden over mijn nieuwe schilderijen. Verder stop ik binnenkort ook met de formaldehydewerken. Ik werk nu nog aan een koe die is gekruisigd in een aquarium van marmer. Daar ben ik nog zeker twee jaar mee bezig. Daarna is het over.”

Maar deze beslissing betekent niet dat Damien Hirst weer een eenmansbedrijfje wordt. „De kunstwerken die ik tot nu toe heb gemaakt, vergen nogal wat onderhoud. Dus ik zal sowieso een atelier open kunnen houden met zo’n honderd mensen die zich louter bezighouden met mijn bestaande werk. Niets is zo vervelend als een kunstwerk kopen dat er na tien jaar niet meer uitziet.”

Hij let meer op dat soort dingen, zegt Hirst, sinds hij gestopt is met drinken. Betekent dit dat zijn rebelse jaren over zijn? „Waarschijnlijk wel”, lacht Hirst. „Op een gegeven moment ben je vooral tegen jezelf aan het schoppen. En je moet de jonge gasten ook weer een kans geven. Laat hen maar rebels zijn. Je hoopt altijd dat jonge kunstenaars jou in de toekomst cool zullen vinden. Maar hoe ouder je wordt, des te moeilijker dat zal zijn. Op een gegeven moment zullen ze toch zeggen: fucking Damien Hirst. Wat weet hij nou?”