De toekomst van het canonieke geschiedenisonderwijs

Krijgen we na het Nieuwe Leren, het Alternatieve Spellen en het Realistisch Rekenen nu de Canonieke Geschiedenis?

‘Historici wijzen canon af’, las ik – en uit het bericht begreep ik dat 23 vaklui, onder wie maar liefst acht hoogleraren en diverse ‘docenten didactiek van de geschiedenis’, want dat schijnt ook te bestaan, de in 2006 gepresenteerde Canon van Nederland onevenwichtig, ongeschikt en zelfs schadelijk vinden voor het basisonderwijs.

Daar stáát Frits van Oostrom met z’n goeie gedrag. Iedereen leek twee jaar geleden in z’n sas met zijn vijftig ‘vensters’, en hij was tenslotte ook nog voorzitter van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Zelfs de minister van Onderwijs (die toen Maria van der Hoeven heette, en die op school behalve Darwin eigenlijk ook God wilde laten onderwijzen) was heel tevreden. En haar opvolger zou, nog geestdriftiger, het parlement voorstellen om de canon te laten opnemen in de verplichte kerndoelen –en dan komt er plotseling zo’n brandbrief.

Wat nu?

Ik zou ’t niet weten. Ik wist niet eens meer wat ze in de onderwijspolitiek onder een ‘kerndoel’ verstonden, dat heb ik weer moeten opzoeken, en ik had ook nog nooit gehoord van een zekere Arie Wildschut die verbonden blijkt te zijn aan het Instituut voor Geschiedenisdidactiek waarvan het bestaan mij eveneens onbekend was. Wildschut denkt dat de Canon van Van Oostrom op twee gedachten hinkt: het ene venster zit er in om didactische redenen, het andere om inhoudelijke. ‘Eise Eisinga’, lichtte hij toe, ‘is geen groot denker, maar je kunt hem goed gebruiken om de Verlichting uit te leggen’. Maar Spinoza? ‘Zie die maar eens over te brengen op de basisschool.’

Hij werd bijgevallen door Piet de Rooij, hoogleraar en mede-ondertekenaar van de waarschuwingsbrief, die in de Volkskrant liet weten: ‘De canon is niet te verbinden met de indeling in tien tijdvakken die sinds een paar jaar op de basisschool wordt gebruikt.’

Verrek, ja, dacht ik ineens. Waarom hadden we eigenlijk nog een Canon met een Hoofdletter nodig, terwijl het basisonderwijs al een poosje werkte met alle Tien Tijdvakken (jagers, Romeinen, ridders, steden, ontdekkers, vorsten, pruiken, stoommachines, wereldoorlog en computers) waaruit de geschiedenis blijkt te bestaan?

‘Juist die chronologische structuur’, zei De Rooij in de Volkskrant, ‘is belangrijk. Helemaal voor zwakkere leerlingen, die niet vijftig namen uit hun hoofd kunnen leren’. Altijd op de bres voor het ondergelegen kind. Hij herhaalde dus nog ’s dat de Canon met Hoofdletter niet compatibel was met het didactische model van de Tien Tijdvakken. En als er nou één recht van spreken had, dan was hij het wel. Want door wie zijn toentertijd de Tijdvakken bedacht? Door een Commissie Historische en Maatschappelijke Vorming onder voorzitterschap van prof dr. P. de Rooij.

‘Je wilt toch niet suggereren dat..?’ hoor ik iemand verontwaardigd vragen.

Maar wat zou ik mezelf met m’n lekenverstand durven verbeelden om op het lastige terrein van Onderwijs waar zo veel geld in om gaat, zomaar dingen te suggereren? Ik weet niet eens of er bijvoorbeeld auteursrechten op die Tien Tijdvakken zitten, zoals ik me wel herinner dat je vroeger soms halverwege een schooljaar de nieuwe, 123ste geheel herziene druk van een Frans leerboekje van de leraren Benjert en Elzinga moest aanschaffen, waar zeker royalty’s op zaten.

En ik heb van Hermans natuurlijk Onder professoren gelezen, over bepaalde naijverige relaties in het academisch milieu – en je hoort wel vaker van wetenschappers dat ze hun rivalen het licht niet in de ogen gunnen.

Maar ik suggereer niks. Ik sta alleen een beetje paf van al die parmantige kerndoelgeleerden, die nog steeds niet weten hoe ze onze kinderen zo aanstekelijk mogelijk over het verleden kunnen vertellen.