Zwieren bij het dansorgel

Wat het draaiorgel betekent voor Nederland is het dansorgel in België. Bussen vol bejaarden trekken er op zondagmiddag naartoe . Een rijke collectie is te zien in het Jubelparkmuseum in Brussel.

‘Ik ging met mijn grootmoeder in Machelen naar feestzaal Novastond, waar zo’n orgel speelde. Later zag ik ze in de Brusselse volkswijk de Marollen. En op kermissen waren steevast ijssalons, waar mensen bij een Decap of Mortier dansten.”

Dit vertelt de Vlaamse minister van Cultuur, Bert Anciaux. Hij staat voor dansorgel ‘Continental Superstar’ uit 1923. De staat kocht vorig jaar de privécollectie Ghysels op, die bestaat uit vier dansorgels, kermisorgels, een orchestrion, mechanisch harmonium, pianola’s, een tongen- en een Fasano-orgel.

Sinds begin oktober zijn ze voor vijf maanden ondergebracht in het Brusselse Jubelparkmuseum. De minister stelde als eis dat de collectie niet alleen museaal tentoongesteld mocht worden „waardoor er alleen een elitaire groep mensen naartoe komt”. Er moet bij de orgels gedanst kunnen worden. In afwachting van een definitieve kandidaat die „veel volk in huis weet te halen met een pintje en muziek” staan ze in de provisorische danszaal, waar bezoekers tussen twee en vier uur ’s middags kunnen dansen. Anciaux: „Zelfs danszalen in de provincie zijn geïnteresseerd zo’n orgel in huis te halen.”

Wat het draaiorgel voor het Nederlandse erfgoed betekent, is het Decap- of Mortier-dansorgel voor België. Vooral op zondagmiddagen zijn nog steeds hele busladingen bejaarden op weg langs Vlaamse provinciale wegen (brede betonbanen met showrooms, frietkotten en andere randbebouwing). Ze gaan dansen in horecagelegenheden met namen als De Bierhoeve, Dancing Heidelicht, Café Toerist en Zaal Hallencia. In Antwerpen is Café Beveren langs de Kaaien beroemd om zijn Decap uit 1937 en in Rijkevorsel doen Lorika en De Kempenaar nog steeds dienst in een ouderwetse spiegeltent.

In tegenstelling tot de klassiek vormgegeven Nederlandse draaiorgels maakte het dansorgel in België niet alleen een ontwikkeling door van mechanisch, via elektrisch naar elektronisch; ook het design evolueerde. Zo staat in het Jubelparkmuseum een Organ Jazz Decap uit 1946 te midden van de oudere orgels in pasteltinten, die rijk geornamenteerd zijn met vloeiende vormen, bloemmotieven en geschilderde taferelen met luit of harp spelende vrouwen in idyllische landschappen. De Jazz Decap heeft strakkere vormen en baadt in bijna hallucinerende zee van licht, terwijl vier accordeons in- en uitwaaieren en ventielen van saxofoons zich mechanisch openen en sluiten. Dansorgels uit de jaren zestig hebben een nog soberder uitstraling en het geslacht Decap in Antwerpen bouwt ook nu nog nieuwe orgels.

Volgens minister Anciaux was het belangrijk de collectie te verwerven. In de jaren vijftig moesten deze kleurrijke, imposante mastodonten op grote schaal het veld ruimen voor de ruimte besparende jukebox. De minister: „Ze worden steeds zeldzamer, omdat collectioneurs en musea in het buitenland ze opkopen, vooral in Japan, maar ook in de VS. Dat is recentelijk nog gebeurd.” Glimlachend voegt hij eraan toe: „Toen men er het geld nog voor had.”

Lex Veldhoen

Meer over de tentoonstelling in Jubelparkmuseum Brussel op www.continentalsuperstar.be.