Zwart geen bezwaar

Hoe de verkiezingen volgende week ook aflopen – Amerika heeft zich dit jaar verzoend met het idee dat zijn president zwart kán zijn. Over de stille evolutie van zwarte leiders: de wegbereiders van Obama.

De schoolbibliotheek in Indianola, Iowa, was die avond voor driekwart gevuld. Michelle Obama was vorig jaar november nog geen nationale bekendheid: beveiliging had ze nog niet, en op haar speeches kwamen hooguit tientallen mensen af.

Maar wie haar een paar dagen langs de zaaltjes in Iowa volgde, kreeg een ongebruikelijk beeld voorgeschoteld: zwarte vrouw spreekt blank publiek toe. Want niet alleen is Iowa een nationale trendsetter – de staat houdt traditioneel de eerste voorronde van de presidentsrace – het is ook een extreem homogene staat: 98 procent van de bevolking is blank.

Die avond in Indianola liet één zwarte man zijn gezicht zien. Achterin de zaal had DiMaggio Nicholas, autodealer, zijn bonten winterjas losjes over zijn armen gelegd. Als overtuigde

Republikein zou hij dit jaar overstappen naar de andere partij: het succes van zijn Afro-Amerikaanse broeder emotioneerde hem. „Dit gevoel heb ik nog nooit gehad.”

De reactie van de rest van het publiek was zeker zo veelzeggend. Mensen begrepen wel dat ras nog steeds een gevoelig onderwerp is. Maar voor henzelf speelde het eigenlijk niet zo, vertelde aannemer Simon Stanfield. Zoals veel Iowans was hij zich zeer bewust dat het hele land op Iowa lette. Hij had de programma’s van Hillary Clinton, John Edwards en Obama grondig vergeleken – en zonder veel aarzeling voor de laatste gekozen.

Hij was moe van leiders die het land verdelen in plaats van bijeen brengen. Dat trok hem in Obama – de kleur van de man had hem niet beziggehouden. „Dat”, zei hij met een goeiige blik, „kan me nou werkelijk niets schelen”.

Achteraf bleek dat Iowa de polsslag van de natie voortreffelijk aanvoelde. Het koos Obama boven topfavoriet Hillary Clinton. De geestdrift die Obama in de Afro-Amerikaanse gemeenschap los zou maken was er al zichtbaar. En ook de afwezigheid van een debat over Obama’s ras en huidskleur in de eerste maanden van de campagne bleek een voorbode voor de rest van het jaar: na Obama’s zege in Iowa was het voor Amerika duidelijk dat het land in principe bereid was een zwarte president te kiezen – zonder zich al vast te leggen op de keuze, en zonder behoefte nog erg lang stil te staan bij dit goede nieuws.

Zo werd het verkiezingsjaar ook een confrontatie tussen het zelfbeeld van Amerika en het beeld dat de rest van de wereld van Amerika heeft. Want terwijl de rest van de wereld niet uitgepraat raakte over de mogelijk eerste zwarte president, hield het land zich vooral bezig met de thema’s (en non-thema’s) van het verkiezingsjaar: de economie, de leeftijd van McCain, de oorlogen, Yes we can op YouTube, Irans nucleaire programma, de zeven huizen van McCain, de dure gezondheidszorg, Obama als ‘terroristenvriend’.

Het werd dus een verkiezingsjaar van twee werkelijkheden: de wereld zag een strijd tussen een blanke en een zwarte kandidaat, Amerika tussen een Democraat en Republikein. Ras speelde op de achtergrond altijd een rol – maar zelden de hoofdrol. Er was, kortom, de laatste jaren iets in Amerika gebeurd dat de wereld was ontgaan.

De zwarte conservatief

Er wordt verschillend gedacht over het moment van de ommekeer, maar achteraf was de benoeming van Clarence Thomas tot lid van het Hooggerechtshof een symbolisch belangrijke stap. Thomas volgde Thurgood Marshall op, het eerste Afro-Amerikaanse lid van het hoogste rechtscollege en een jurist die paste bij Martin Luther King en de burgerrechtenbeweging. Marshall was een Democraat en had, als ex-medewerker van de belangrijkste burgerrechtenorganisatie van het land (de NAACP), aan de goede kant gevochten.

Met Thomas was dat ingewikkelder. Hij werd in 1991 voorgedragen door de Republikein George Bush sr., en presenteerde zich, een jongen die opgroeide in de ergste armoede van Georgia, als een overtuigde conservatief: tegen het recht op abortus, tegen positieve discriminatie, tegen de welvaartsstaat.

In een interview noemde hij ooit zijn eigen zuster als voorbeeld van de apathie die sociale uitkeringen teweegbrengen: ze was zelfs al boos, smaalde hij, als haar wekelijkse cheque van de sociale dienst te laat door de postbode werd bezorgd

Zwarte leiders reageerden bitter op Thomas’ voordracht. Dominee Al Sharpton, het gezicht van de geradicaliseerde tak van de burgerrechtenbeweging, nam een groep aanhangers mee naar het huis van Thomas in Virginia om de waarheid uit te schreeuwen: Clarence Thomas was een „verrader”.

Het werd een politiek spektakel. Een door Democraten gedomineerde commissie in de Senaat, voorgezeten door Joe Biden (nu Obama’s running mate), tuigde een soort tribunaal op: beschuldigingen van seksueel wangedrag werden live uitgezonden, bewijs bleef uit, maar ze zouden Thomas’ imago voor altijd beschadigen. „Een lynchpartij”, zou de opperrechter later zeggen.

Dat hij toch werd benoemd paste bij het Amerikaanse zelfbeeld van die tijd. Thomas mocht zich dan tegen positieve discriminatie keren, zijn tegenstanders zagen dat als bevestiging van zijn hypocrisie: als iemand oneigenlijk was bevoordeeld door positieve discriminatie, was het Thomas zelf. En hij zou altijd een gemankeerde opperrechter blijven: in de zeventien jaar die zijn termijn nu heeft geduurd voerde hij nooit het woord op een openbare zitting.

Toch groeide Clarence Thomas de laatste jaren uit tot symbool. Onder de zwarte bevolking bleef hij impopulair, maar door zijn consistente conservatisme, neergelegd in honderden opinies die hij als opperrechter schreef, werd Clarence Thomas een inspiratiebron voor een relatief nieuwe groep Afro-Amerikanen: zwarte conservatieven.

Het gaf de aanzet tot een dramatische verandering van het imago van de zwarte gemeenschap. Hij werd de tegenpool van Jesse Jackson en Al Sharpton, Democraten die bleven claimen dat de problemen van de zwarte gemeenschap (de hoogste werkloosheid, de meeste echtscheidingen, het hoogste misdaadcijfers) nog altijd een direct gevolg waren van de blanke onderdrukking.

Maar voor blank Amerika was Thomas het bewijs dat de zwarte gemeenschap pluriformer en geëmancipeerder was dan ze lange tijd leek. Het gevolg is dat zijn levensverhaal nu wordt herzien. Alleen al vorig jaar kwamen twee nieuwe boeken over hem uit – een autobiografie (waarvoor de uitgever een premie van 1,5 miljoen dollar over had), en een biografie door zwarte journalisten van The Washington Post, die niet langer de beschuldigingen van seksueel wangedrag als uitgangspunt namen. In plaats daarvan schetsen zij het verhaal van een tragische held: een man die om zijn principes werd uitgestoten door de eigen gemeenschap, en die om zijn huidskleur nooit werd geaccepteerd in zijn blanke werkomgeving. Maar over zijn invloed bestaat weinig discussie meer. „Clarence Thomas”, schreef Newsweek vorig jaar, „is zonder twijfel de machtigste zwarte man van Amerika”.

De zwarte generaal

Begin jaren negentig, toen Thomas nog voor zijn geloofwaardigheid vocht, hadden de VS al een ander zwart rolmodel. Colin Powell verscheen zonder rumoer op het nationale toneel. Hij was er ineens.

President Reagan (1981-1989) maakte hem aan het einde van zijn ambtstermijn nationaal veiligheidsadviseur, na een fraaie loopbaan in de krijgsmacht. Daarna volgde voor Powell, ook onder Bush sr., de mooiste promotie uit zijn leven: hij werd de eerste zwarte stafchef van de krijgsmacht, officieel: voorzitter van het college van chefs van staven.

Dat de krijgsmacht een zwarte leider voortbracht, was minder verrassend dan het misschien leek. Als de multiculturele samenleving ergens allang bestaat, is het in het Amerikaanse leger, zegt Larry Wilkerson, van eind jaren tachtig tot en met 2004 de persoonlijke assistent van Powell. Wie ambitieus is maar geen geld heeft, kan via een paar jaar militaire dienst een studiebeurs verdienen. Respect voor andermans afkomst en religie behoort er tot de dagelijkse routine. „Daar praat je niet over.”

Ook Powell, zoon van Jamaicaanse migranten uit de South Bronx, werkte zich op zonder zijn afkomst te benadrukken; The New York Times omschreef zijn stijl ooit als „berekenende nonchalance”. Als jonge militair in Vietnam negeerde hij het racisme van superieuren. „Als ik naar één kant van het speelveld werd verdrongen, zorgde ik ervoor dat ik de ster werd op die helft van het veld”, schreef hij in zijn memoires, My American Journey (1995).

Later legde hij de zwarte schrijver-professor Henry Gates Jr. in een reeks interviews uit dat ook hij niet geloofde in de confronterende stijl van veel burgerrechtenactivisten. Hij was zwart zoals hij Republikein was: zonder nadruk, als een loyale soldaat. „Ik dring geen stereotypes (…) op. Sommige zwarten doen dat wel.” En zijn lichte huidskleur hielp ook. „Ik ben niet heel zwart.”

Het militaire succes van de eerste Irakoorlog (1991) was zijn nationale doorbraak. Bob Woodward beschreef hem in zijn reconstructie van de oorlog, het boek The Commanders, als de invloedrijkste adviseur van de president die afdwong dat de aanval werd uitgesteld totdat er, zoals Powell had geëist, een overweldigende militaire overmacht op de been gebracht kon worden.

Zo was Colin Powell voor even de populairste (zwarte) leider van Amerika. Bill Clinton probeerde hem in 1992 als running mate te strikken. Republikeinen wilden dat hij in 1995 een gooi naar het Witte Huis deed. Hij zag er om persoonlijke redenen vanaf, zoals dat heet: hij wilde niet dat elk aspect van zijn privéleven onderzocht zou worden.

Zijn terugkeer naar Washington als eerste zwarte minister van Buitenlandse Zaken onder Bush jr. (2000-2004) werd een dramatische mislukking. In de opmaat naar de tweede Irakoorlog (2003) werd zijn pleidooi voor meer diplomatie genegeerd. Zijn optreden in de VN, waarin hij ten onrechte claimde dat Irak massavernietigingswapens bezat, beschouwt hij als de grootste misstap van zijn leven.

Toen hij vorige maand in de openbaarheid trad om tegen zijn partij in steun aan Barack Obama uit te spreken, zagen sommige conservatieven er een raciaal opzetje in: de ene zwarte steunt de andere. Die mensen hadden weinig van Colin Powell begrepen, zegt Wilkerson. „Deze man is aan de top gekomen omdat hij van zijn ras nooit een issue heeft gemaakt.” Het is volgens zijn voormalige rechterhand, zelf blank, de enige manier om als Afro-Amerikaan bovenaan de ladder te eindigen. „Hij en Barack Obama zijn wat dat betreft precies hetzelfde.”

En Obama liet het hele jaar merken dat hij dit voortreffelijk begrepen had: terwijl de zwarte gemeenschap hartstochtelijk voor hem viel, was elke suggestie van zwarte solidariteit taboe voor hem. Noem één opperrechter die je om principiële redenen nooit zou hebben benoemd, werd hem twee maanden geleden gevraagd op een conferentie over religie. Obama hoefde niet na te denken. „Clarence Thomas.”

De zwarte komiek

In het mijnenveld van raciale relaties in de VS zijn sommige taboes over de zwarte onderklasse de laatste jaren met harde hand geslecht. Onderzoek na onderzoek laat zien dat zwarte meisjes het beter doen dan zwarte jongens. Het land is vergeven van projecten om tienerjongens uit slechte stadswijken op het rechte pad te brengen, zonder veel succes. In Maryland plaatsten ze tieners uit getto’s in gastgezinnen op het platteland om zo de negatieve spiraal van schooluitval, drugs, misdaad en tienerzwangerschappen te doorbreken: kids having kids. Eenmaal weg uit het getto bleken de meisjes snel in staat een nieuw leven te beginnen. De criminaliteit van de jongens verergerde alleen maar.

Het nationale geduld met criminele zwarte jongens is niet groot meer. Ook niet binnen de zwarte gemeenschap. Hun luidruchtigste woordvoerder is de komiek Bill Cosby, die vier jaar geleden op een bijeenkomst van de NAACP de problemen verklaarde uit het gedrag in de zwarte gemeenschap zelf. „We kunnen het niet aan de blanken wijten. (…) Het is niet wat zij ons aandoen. Het is wat wij onszelf aandoen.”

Het werd een lange opsomming. Ouders die te gemakkelijk scheiden, moeders die te veel kinderen krijgen, vaders die geen vinger naar kinderen uitsteken, volwassenen die te tolerant zijn voor tienerseks, armen die zich neerleggen bij hun armoede, zwarte priesters die de kerkdeuren alleen op zondag openen.

Cosby belegt sindsdien vrijwel elk jaar een tournee waarin hij op besloten bijeenkomsten in gesprek gaat met de zwarte gemeenschap. Alle zalen lopen vol. Maar hij is ook omstreden. Tegenstanders zeggen dat hij generaliseert, waardoor hij de groep die hij probeert te bereiken juist zou afstoten.

Maar feit is dat de invloed van Cosby groot is. Het bleek toen twee jaar geleden een politieke commentator van NPR-radio (de Amerikaanse VPRO), Juan Williams, in een boek, Enough, een uitvoerige verdediging van Cosby publiceerde. De progressieve Williams, zelf zwart en bevriend met Clarence Thomas, zei dat „zwarte volwassenen alleen nog maar klagen waardoor ze hun kinderen een slachtoffermentaliteit bijbrengen”.

Hier bleek dat hij één taboe te veel wilde slechten. Hoewel het verband nooit is bewezen, raakte hij bij NPR op een zijspoor, terwijl het behoudende FoxNews graag meer van zijn diensten gebruik wilde maken. Zodoende was Juan Williams het afgelopen jaar een van de meest zichtbare politieke commentatoren op FoxNews, waar hij zich vooral afzette tegen Obama’s banden met Jeremiah Wright. Wright (‘God damn America’) is een aanhanger van de bevrijdingstheologie en zijn kerk werd twintig jaar door Obama bezocht.

Berichtgeving over de kerk legde nog een ander taboe bloot. Amerika kent honderden zwarte kerken waarin het tot de zondagse rituelen behoort om zich onder elkaar af te zetten tegen de blanke gemeenschap. In Wrights kerk gebeurde dat ook, zij het niet elke week. Maar Williams legde het verband met de reactie van de zwarte gemeenschap op de vrijspraak van O.J. Simpson in 1997, voor de moord van zijn ex-vrouw en diens vriend. Het feit dat de meeste Afro-Amerikanen toen, in afwijking van de rest van het land, overtuigd waren van O.J.’s onschuld bewees volgens hem dat zwart Amerika zich nog altijd isoleerde van de rest van de maatschappij. En het was „zorgelijk”, zei hij, dat Obama zich jaren in een zelfde geïsoleerde kerkgemeenschap had opgehouden. „Dat roept de vraag op: wie is hij?”

Maar maanden later, op de eerste avond van de Democratische conventie, toen Michelle Obama na afloop van haar speech met haar twee dochters via een satellietscherm verbinding met Obama had, had dezelfde Williams moeite zijn tranen te bedwingen. „Om zo’n prachtige zwarte familie in deze situatie te zien – dat is werkelijk een grote stap vooruit voor dit land”, zei hij – en zijn collega’s bij Fox keken verstoord op: wat zegt-ie nóu?

De eerste zwarte president

Afgelopen woensdag stonden ze daar dan eindelijk, op een podium in Florida: Obama en Bill Clinton, samen op campagne. Het had maanden gekost om de wonden te helen. Dit voorjaar liepen de spanningen op toen Clinton Obama’s klinkende overwinning in South Carolina afdeed als een zwart onderonsje. In de tijd dat Jesse Jackson zijn kansloze pogingen deed president te worden, zei Clinton, „won hij ook twee keer in South Carolina”. Supporters van Obama noemden Clinton een racist, Obama’s staf sprak het niet tegen, en de voormalige president keerde zich gekrenkt af van Obama. Maar woensdag verzorgde hij een ronkende introductie van Obama – en het publiek werd wild.

Het was een vorm van rechtvaardigheid. Want als iemand er vóór Obama in slaagde de zwarte gemeenschap geloof in de politiek bij te brengen, was het Bill Clinton. ‘Clinton as the first black president’, was de kop van een essay dat Nobelprijswinnares Toni Morrison op het hoogtepunt van het Lewinsky-schandaal, herfst 1998, in The New Yorker publiceerde.

Bill Clinton was „zwarter dan enige echt zwarte figuur die onze kinderen tijdens hun leven gekozen kunnen zien worden”. Hij vertoonde „bijna alle tekenen van zwartheid: een in een éénoudergezin, arm geboren, arbeideristisch, saxofoonspelend, van McDonald’s en junkfood houdend jongetje uit Arkansas.”

Tijdens zijn jaren in het Witte Huis scoorde Clinton in de zwarte gemeenschap een populariteitscijfer van rond 90 procent. Ook na de versobering van de bijstand en het ontslag van zwarte kabinetsleden, was hij geliefder dan Jesse Jackson en Colin Powell. En zelfs na de Lewinsky-affaire, toen veel blanke stemmers op Clinton afknapten, behield hij steun in de zwarte gemeenschap. Omdat Clinton veel voor de gemeenschap betekend had, maar ook vanwege de zwarte (christelijke) traditie van vergiffenis en verlossing – ook voor wie vreemdgaat. Verder speelde het zwarte wantrouwen tegen justitie een rol: een ruime meerderheid geloofde Hillary Clintons claim van een „groot rechts complot” tegen haar man.

Zijn presidentschap leverde hem de levenslange trouw van gerenommeerde zwarte leiders op, en paradoxaal genoeg bracht dat hen dit jaar in grote problemen. Vooral John Lewis (68), een van de helden van de burgerrechtenstrijd in de jaren zestig, moest ervaren dat zijn steun aan de ‘eerste zwarte president’ hem opbrak nu een echte zwarte president tot de mogelijkheden bleek te horen.

Begin jaren zestig werd Lewis tot bloedens toe gemarteld omdat hij in Alabama het recht opeiste in blanke gebieden met de bus te reizen. En in 1963 betrad hij in Washington het podium voordat Martin Luther King het woord nam (‘I have a dream’) om meer federale bescherming voor King en collega-strijders te eisen. In zijn latere leven was hij, als Congreslid uit Georgia, eraan gewend geraakt dat hij met het grootst mogelijke respect werd behandeld.

Diezelfde John Lewis besloot vorig najaar, door zijn goede verstandhouding met Bill, zijn steun te geven aan Hillary Clinton. Het gebeurde op een moment dat Obama moeite had de Afro-Amerikaanse gemeenschap te overtuigen van zijn kansen, en voor de goede verstaander was Lewis’ stap een signaal van de ervaren leider aan de jonge dromer: vergeet het maar jongen, het wordt niks.

Zodoende werd Lewis gedwongen dit voorjaar zijn steun aan Clinton in te trekken en alsnog vertrouwen aan Obama te geven. Maar pijnlijk genoeg bleek enkele weken geleden, aan het einde van de presidentsrace, dat de zwarte held de rasneutrale kandidatuur van Obama nooit helemaal had begrepen.

Op bijeenkomsten met de Republikeinse vicepresidentskandidaat Sarah Palin werd die dagen geroepen dat Obama een „terrorist” is die „vermoord” moet worden. Lewis zei dat dat kwam omdat McCain en Palin een punt maakten van Obama’s relatie in de jaren negentig met een man, Bill Ayers, die in de jaren zestig gewelddadige acties pleegde. Lewis trok de onvermijdelijke vergelijking tussen McCain en Palin en de omstreden gouverneur George Wallace van Alabama, die in Lewis’ jeugd toestond dat zwarten, zoals hijzelf, werden gemarteld omdat ze voor hun burgerrechten opkwamen.

De verklaring kreeg veel aandacht, vooral door Lewis’ reputatie – maar vervolgens liet Obama in een koel en kort bericht weten dat hij Lewis’ vergelijking „ongepast” vond. Beter had niet onderstreept kunnen worden dat zwart Amerika een nieuwe periode ingaat: de helden van de burgerrechtenbeweging hebben niet automatisch meer gelijk, de jaren zestig zijn voorbij, en nieuwe zwarte leiders, met nieuwe waarden, nemen hun rol over.

Uiteraard staat niet vast dat Barack Obama komende dinsdag wordt gekozen tot de nieuwe president van de VS. Maar ook als hij verliest zal 2008 worden onthouden als het jaar waarin bleek dat het in Amerika mogelijk is dat een zwarte jongen uit een eenoudergezin de hoogste baan van het land krijgt. Wat voor Obama begon met een toespraak op de Democratische conventie in 2004, eindigt komende dinsdag met een campagne waarin hij record na record vestigde: de hoogste donorbijdragen ooit, de meeste internetsupporters ooit, de meeste zwarte supporters ooit.

Maar het meest tekenende van het afgelopen jaar was dat ‘ras’ sinds mei geen campagnethema meer is geweest. Niet sinds Obama’s toespraak over raciale relaties, in april uitgesproken toen de controverse rond Jeremiah Wright escaleerde. Obama’s tegenstanders zagen er geen brood meer in. Obama zelf ook niet: het onderwerp ras was dus inderdaad, zoals in Iowa al bleek, van zijn politieke lading ontdaan.

Het wil natuurlijk niet zeggen dat ras ook zijn maatschappelijke lading heeft verloren. Peilingen tonen dat nog steeds dertig procent van de Amerikanen niet op een zwarte kandidaat wil stemmen, ook al zijn dat grotendeels mensen die sowieso nooit een Democraat zouden kiezen. En de laatste weken kwamen in grote industriële staten als Pennsylvania en Ohio xenofobe teksten los die een permanente angst veroorzaakte: wordt hem iets aangedaan? Vooral oudere blanke arbeiders voelden zich gevangen: een stem op McCain kon de continuering van de slechte jaren onder Bush betekenen, een stem op Obama beëindigde het leven zoals ze dat altijd gekend hebben. Woedende conservatieve commentatoren – op de radio, op het web – voedden de onrust.

De verandering van 2008 was hoe het onderwerp van hun woede, Obama, reageerde: niet met dezelfde woede die het land zolang van zijn zwarte leiders gewend was – maar met de rust die blanke leiders vroeger gebruikten om razernij onder de zwarte bevolking te kalmeren.