Veel diersoorten kennen een alerte minderheid en routineuze meerderheid

Het is bij allerlei diersoorten zo dat de meeste individuen zich niet veel gelegen laten liggen aan hun omgeving. Slechts een minderheid is alert, en onderzoekt of een verandering van gedrag enig voordeel kan opleveren. De regel gaat op voor uiteenlopende diersoorten: voor muizen en varkens, voor vinken en koolmezen. Theoretisch biologen in Groningen en Santa Fe (VS) constateerden dat dit soort persoonlijkheidsverschillen al bij meer dan honderd soorten beschreven zijn. Ze berekenden waarom verschil in ‘karakter’ zo vaak voorkomt (Proceedings of the National Academy of Sciences, 14 oktober).

Karakterverschillen binnen diersoorten zijn regelmatig aan het licht gekomen in experimenten. Al in de jaren tachtig deden gedragsbiologen, ook uit Groningen, bijvoorbeeld zo’n test. Leer muizen door een doolhof naar het eindpunt rennen, en als ze dat kunnen, plak dan een stukje tape op de vloer. De meerderheid laat zich daar niet door van de wijs brengen en rent stug door naar de uitgang. Maar enkele muizen doen het anders: voor hen is de onbekende tapestrook aanleiding tot een nieuwe verkenning van de hele doolhof – ze arriveren dus veel later.

Die karakterverschillen uiten zich ook in heel andere situaties. Muizen die verkenningsgedrag vertonen in de doolhof, zijn vaak niet sociaal dominant. Als ze zich voortbewegen tussen soortgenoten, kunnen ze zich niet veroorloven om áltijd agressief te zijn. Ze passen zich aan aan de situatie. Karakterverschillen zijn dus niet alleen regel binnen diersoorten, een dier vertoont zijn karakter ook consequent.

De Groningers bouwden een computerprogramma om de evolutie van dit soort karaktertrekken te simuleren. In hun virtuele wereld kan een dier kiezen om alert te zijn of routineus. En vervolgens kiest hij welke van twee beschikbare leefgebieden hij gaat bezetten. Een alert dier krijgt van tevoren informatie over de gebieden die een routineus dier niet heeft, maar verliest ook energie door zijn ‘zoekgedrag’.

Als de dieren zich virtueel gingen voortplanten ontstond in opeenvolgende generaties altijd een bescheiden populatie van alerte dieren als aan twee voorwaarden werd voldaan. De theoretici denken dat die voorwaarden ook in het echt belangrijk zijn. Eén: hoe meer dieren zich volgens een vast patroon gedragen, des te groter het voordeel voor de ene zonderling die wel op zoek gaat. Die vindt bijvoorbeeld als enige een onbekende voedselbron. Maar doen veel dieren dat, dan levert het weinig meer op.

En twee: als een dier eenmaal voor ‘alert reageren’ heeft gekozen, kost het de volgende keer minder energie. Dieren kunnen namelijk leren en die kennis gebruiken ze. Volgens de onderzoekers geldt hun model voor alle dieren die sociaal gedrag kennen en die op elkaar reageren. Hester van Santen