Twee dode mussen uit de SP-volière

De kredietcrisis toont ten overvloede aan dat een goed functionerende economie niet zonder overheidsingrijpen kan. Linkse en rechtse stromingen in de politiek denken traditioneel echter heel verschillend over de omvang van de gewenste overheidsbemoeienis met het functioneren van markten voor arbeid en kapitaal. De afgelopen decennia zaten linkse partijen in de hoek waar de slagen vallen. In de loop van de twintigste eeuw was immers bewezen dat markteconomieën superieure resultaten boeken, in vergelijking met landen die kozen voor jammerlijk mislukte experimenten met het staatssocialisme. Sinds kort heeft links opnieuw praatjes. „In deze crisis wordt eindelijk weer erkend dat de overheid niet het probleem is, maar de oplossing”, citaat uit een kleine brochure waarin de Socialistische Partij begin deze week dertig voorstellen lanceerde om de gevolgen van de wereldwijde crisis op de geld- en kapitaalmarkten te bezweren.

Voor een deel gaat het om zinvolle ideeën, met de uitvoering waarvan overigens al een begin is gemaakt, ook in landen waar neoliberalen de lakens uitdelen. Zo zijn banken en verzekeraars bezig hun reservekapitaal te versterken en moeten zij straks waarschijnlijk al hun verplichtingen op de balans tonen. Verder staat in brede kring de bonuscultuur, die het nemen van onverantwoorde risico’s bevordert, ter discussie. Maar bij sommige meer drastische voorstellen van de SP passen grote vraagtekens. Het gaat om verkondigde alternatieven die alleen levensvatbaar zijn wanneer nagenoeg alle landen in de wereld zich coöperatief opstellen. De kans dat dit gebeurt is nihil. De SP-brochure draagt zo bij aan toekomstige frustraties bij goedgelovige kiezers, die zich blij lieten maken met dode mussen uit de volière van de tomaatsocialisten.

Neem de door de SP bepleite ‘keiharde aanpak’ van belastingparadijzen. Landen zonder redelijke belastingheffing komen op een zwarte lijst. Financiële instellingen mogen met banken uit landen op die lijst geen zaken meer doen. Dit plan is alleen uitvoerbaar wanneer de overige industrielanden meedoen. Hun club, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), voert al sinds 1996 actie tegen schadelijke belastingconcurrentie. Daarbij is mondjesmaat vooruitgang geboekt, doordat steeds meer fiscale paradijzen instemmen met uitwisseling van gegevens en grotere transparantie. Belangrijke financiële centra, zoals Singapore, houden echter de boot af. Bovendien bestaat tussen de OESO-landen geen begin van overeenstemming over de eis dat, om belastingontwijking door grote bedrijven te verhinderen, overal in de wereld minimumtarieven van de winstbelasting gaan gelden. Dat kan ook moeilijk. Ieder land bepaalt soeverein zijn belastingmix. Waarom zou een land met dezelfde belastingdruk als Nederland er niet voor mogen kiezen alle overheidsuitgaven te financieren via belastingen op de consumptie, en de winst van ondernemingen ongemoeid te laten? Gelet op de geringe progressie bij de aanpak van belastingparadijzen doen politieke partijen er goed aan niet meer te beloven dan zij – eenmaal aan het bewind – waar kunnen maken.

De SP wil ook een belasting op de valutahandel invoeren, dus bijvoorbeeld als dollars worden aangekocht met euro’s. Zo’n taks, in 1972 voorgesteld door de Amerikaanse econoom Tobin, maakt het voor speculanten duurder hun flitskapitaal van de ene in de andere munt om te zetten. Ook een heel laag tarief werkt ontmoedigend, omdat bij elke speculatieve aan- en verkoop van valuta’s opnieuw wordt geheven. In sommige linkse kringen kan de Tobin-taks op sympathie rekenen. Dankzij de heffing vermindert de kans op door valutaspeculatie veroorzaakte heftige schommelingen in de koers van bepaalde munten, die vooral opkomende economieën ernstig kunnen schaden. De opbrengst zou grotendeels beschikbaar moeten zijn voor hulp aan ontwikkelingslanden. Ten slotte zou de heffing de positie van centrale banken en andere financiële autoriteiten kunnen versterken. Deze is aangetast door het gemak waarmee enorme bedragen, dankzij de liberalisering van het kapitaalverkeer en de opkomst van informatie- en communicatietechnologie, tegenwoordig over de wereld gaan.

De politieke haalbaarheid van de Tobin-taks is evenwel nul. Bijna tweehonderd onafhankelijke landen zouden moeten meewerken. Want anders valt de heffing eenvoudig te ontlopen door de valutahandel te verplaatsen naar een land dat zich afzijdig houdt. Er zullen altijd landen zijn die weigeren de heffing in te voeren, in de hoop dat de nationale hoofdstad vervolgens uitgroeit tot een belangrijk financieel centrum. Handelaren zullen tevens uitwijken naar onbelaste affaires die veel op valutatransacties lijken. Wanneer de aankoop van dollars tegen yens is belast, kunnen speculanten bijvoorbeeld Amerikaanse staatsobligaties kopen die over drie dagen worden afgelost, en daarvoor betalen met Japanse obligaties die eveneens over drie dagen aflopen. Economisch zijn dit vergelijkbare transacties. Om deze vluchtroute af te sluiten zouden ook de aan- en verkoop van obligaties moeten worden belast. Maar waar houdt dit op? Gezien de vele geavanceerde financiële producten die recentelijk zijn ontwikkeld, lijkt het onmogelijk al zulke vormen van belastingontwijking afdoende te bestrijden.

In het laatste verkiezingsprogramma van de SP werd met geen woord over de Tobin-taks gerept. Dit getuigde van realiteitszin. Dat deze partij alsnog met dit onvoldragen idee op de proppen komt tekent de overmoed in het linkse kamp, nu neoliberalen iets hebben uit te leggen.