Spelling

Joyce de Grand schrijft (`Goede cijfers`, Zaterdag &cetera 25 okt.) over een klas leerlingen (niveau noemt ze niet) met wie het uitermate moeilijk werken schijnt te zijn. Deze leerlingen kunnen niet spellen, gebruiken continu krachttermen, willen eten in de les omdat ze niet hebben ontbeten en hebben geen schoolspullen bij zich. Toch moet De Grand hen Nederlands leren.

Uit alles wat ze ons vertelt blijkt dat dit niet erg goed lukt. Wel bestelt de lerares onder de les broodjes en thee voor de leerlingen. Het cijfer dat ze uiteindelijk krijgen is een cijfer voor inzet. Zij besluit om maar niet op hun spelling te letten (zolang zij hen maar op hun fouten mag wijzen).

Wij als lezers moeten kennelijk overtuigd raken van het feit dat dit moeilijk anders kan.

Maar ja, het verschil tussen een schoolklas en een broodjeszaak is op die manier niet erg groot meer. En ook begrijp ik niet waarom De Grand niet gewoon de cijfers geeft die overeenkomen met de geleverde prestaties in het Nederlands. Waarom zou ze `hun hebbe` niet gewoon fout kunnen rekenen? Straks krijgen deze jongens een diploma. Wat gaat daar op staan? `Hun vinde dat ik bes wel me bes hep gedaan?`

Wat me het meest trof in het stukje was de zin: `Een van de belangrijkste regels in het onderwijs is dat je als docent niet fraudeert.` Dat je niet fraudeert lijkt mij gewoon een kwestie van goed fatsoen en niet specifiek iets voor docenten.