Promoveren van Utrecht tot Uppsala

De minister van Onderwijs studeert op verruiming van het recht van universiteiten om iemand tot doctor te promoveren. In de jaren zestig verloor het promotieritueel aan glans. Toga’s werden aan de kant geworpen. Een rondgang langs Europese universiteiten leert Reinildis van Ditzhuyzen dat de traditie weer opbloeit.

Als de voorzitter van de vereniging van Nederlandse universiteiten, dr. Sijbolt Noorda, het voor het zeggen had, zou de academische titel doctor ‘maatschappelijk weer meer waardering krijgen’. De hoogste universitaire graad betekent niet dat iemand uitsluitend is opgeleid tot wetenschappelijk onderzoeker, verklaart hij zich nader. Een doctor wordt wat hem betreft te veel gezien als een wereldvreemde kamergeleerde of onderzoeker. Terwijl een doctor ook buiten de universiteit belangrijke functies kan vervullen, op allerlei maatschappelijke terreinen. Wat hem betreft krijgt de titel ‘doctor’ weer meer glans.

Als het aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ligt, verandert er ook wat aan het promoveren zelf. Op 16 juni van dit jaar schreef minister Plasterk in een brief aan de Tweede Kamer: ‘Om meer dynamiek en vernieuwing in de hiërarchische structuur van de universiteiten te organiseren zou gedacht kunnen worden aan verruiming van het ius promovendi’ (het recht om als promotor op te treden).

Op de vraag wat hij hiermee bedoelt, verklaart de minister dat hij vooralsnog geen concreet beleidsvoornemen heeft, maar dat de voor- en nadelen van zo’n verruiming worden bestudeerd. In ieder geval zal hierover worden overlegd met de Vereniging van Universiteiten VSNU en de Koninklijke Academie van Wetenschappen KNAW.

VSNU-voorzitter Noorda is duidelijk. Hij ziet niets in een verruiming: hij vindt dat het ius promovendi bij de universiteiten moet blijven.

Al zo’n achthonderd jaar is het verlenen van de doctorsgraad, het ius promotionis (promotierecht), een wezenlijk kenmerk van de universiteiten. Het promotierecht gaat niet alleen over de inhoud (voorwaarden, eisen), maar ook over de vorm: hoe wordt de doctorandus tot doctor bevorderd? Een rondgang langs Europese universiteiten maakt duidelijk dat de gebruiken van land tot land verschillen en dat een waaier van promotierituelen bestaat: plechtig, kaal, elegant, spannend, vrolijk, langdurig, en zo meer. En dat die promotierituelen in de loop der tijden ook veranderen. Toch gaan ze alle min of meer terug op de oorspronkelijke promotieplechtigheid zoals die ruim acht eeuwen geleden is ontstaan.

Tegen beunhazerij

De titel doctor werd voor het eerst rond 1200 in Bologna verleend. Tot dat moment werd het woord doctor gebruikt om het beroep van juristen aan te duiden: zij noemden zich doctor legum ( juridisch docent). Men merkte echter dat het ter voorkoming van beunhazerij beter was toezicht te houden op mensen die als juridisch docent gingen werken. Daarom besloot men voorwaarden en eisen vast te stellen. Als je hieraan voldeed mocht je toetreden tot het collegium doctorum, het gilde van doctores zeg maar. Vanaf dat moment mocht je je officieel doctor noemen.

Het toetreden bestond uit twee delen: een examen en een ceremonie. Het examen (disputatio) was nodig om de onderwijsbevoegdheid te halen. Het was te vergelijken met het afleggen van de meesterproef voor een gilde. Daarna – enkele dagen, weken, of zelfs maanden later – volgde de bevordering tot doctor door middel van een plechtige opname, een inwijding.

Dat ritueel bevatte elementen van inwijdingsceremonies die de middeleeuwer al kende, zoals een kroning, bisschopswijding, ridderslag en de opname in een gilde. Het installatieritueel van de gepromoveerde – in Parijs was dit trouwens al eerder ontstaan – werd op den duur aan alle Europese universiteiten gebruikelijk. En de titel doctor werd wegens het hoge aanzien van de doctores uit Bologna uiteindelijk niet alleen universeel geaccepteerd, maar ook de hoogste academische graad.

Vrijwel vanaf het begin was de promotie een openbare aangelegenheid die gepaard ging met veel uiterlijk vertoon. Dit was nodig, want slechts weinigen konden in die tijd lezen en schrijven. Door veel mensen toe te laten had je – indien nodig – tal van getuigen die konden bevestigen dat je gepromoveerd was. Maar de praal had meer boodschappen: zij getuigde van de autonomie en het zelfbewustzijn van de universiteiten. Tegelijk liet zij de hoge status van de doctores zien.

Het publiek vergaapte zich dan ook aan de pompeuze ceremonie. Deze bestond uit een openbare discussie, natuurlijk in het Latijn, waarbij de kandidaat bepaalde wetenschappelijke kennis, vaak in de vorm van stellingen, verdedigde tegenover de promotor. De stellingen waren vooraf bekend, vaak door het vastspijkeren ervan op deur of muur van de universiteit. Uit dit gebruik stamt de vermoedelijke legende dat Luther, doctor in de theologie, in 1517 95 stellingen op de kerkdeur van Wittenberg timmerde om een theologisch dispuut uit te lokken. In Uppsala (Zweden) bestaat deze spikning nog altijd: de doctorandi spijkeren er hun proefschrift aan een muur in de aula.

Dan volgde de inwijding als doctor. Hierbij kreeg hij (geen zij in die dagen!) de kenmerken van de nieuw verworven waardigheid overhandigd, zoals een doctorsbaret, doctorsring, boek en ten slotte de broederkus.

Het feest was daarmee nog niet afgelopen. In optocht schreed de jonge doctor met professoren en veel gewichtige gasten door de universiteitsstad naar een uitspanning voor een overvloedig feestmaal met veel jolijt.

Promotie als pr-spektakel

Eeuwenlang, tot het midden van de 18de eeuw, ziet de promotie er in grote lijnen zo uit. Intussen is de doctor flink in aanzien gestegen, zeker buiten de universiteit. In burgerlijke beroepen als arts, advocaat, adviseur en zo meer kun je met deze graad een mooie carrière maken. Deuren gaan open die anders gesloten zouden blijven. Zo wordt de doctorstitel steeds begeerlijker, want je verwerft er gezag, status en een hogere maatschappelijke rang mee.

Dat moet gezien worden! En dus wordt de promotie al maar schitterender uitgedost. Het wordt meer een sociale manifestatie dan een wetenschappelijke aangelegenheid. De stoeten worden langer, de feestelijkheden opulenter, de gastenlijst prestigieuzer en het eten verfijnder. Aan sommige universiteiten kan het niet op.

De keerzijde van deze verplichte geldsmijterij is dat steeds meer studenten het ritueel niet kunnen of willen betalen. Velen vinden het behalen van het licentiaat wel genoeg en laten de doctorstitel schieten. Er zijn er ook die met meerderen tegelijk promoveren, zodat ze de kosten ervan kunnen verdelen. Zo ontstaan groepspromoties, die in veel landen nog altijd bestaan, zoals de hierbij afgebeelde plechtigheden in Wenen en Uppsala. Weer anderen kiezen voor de oplossing van de goedkope promotie. Dat kan, want er zijn universiteiten die twee soorten promoties aanbieden: de gebruikelijke met alles erop en eraan (‘more maiorum’, volgens de gewoonte der ouderen), en een eenvoudige versie in kleine kring zonder pompa, met alleen het verdedigen van dissertatie of stellingen.

In Nederland wordt de laatste vorm zó populair dat er vanaf de 17de eeuw nauwelijks nog doctorandi zijn die kiezen voor de uitgebreide historische promotie. Dat vinden de hooggeleerde professoren jammer – het is publiek statusverlies – en daarom proberen ze hun promovendi ertoe te verlokken om ter opluistering van bijzondere gelegenheden als jubilea en bezoeken van de Oranjes ‘more maiorum’ te promoveren. De promotieplechtigheid is er dan vooral ter meerdere eer en glorie van de academie, een vorm van public relations. Niet de promovendus is de hoofdpersoon, maar de universiteit en haar hoogleraren.

Promotietoerisme

Het prestige – en daarmee de begeerlijkheid – van de doctorgraad heeft nog een keerzijde: misbruik en fraude. Aan diverse Europese universiteiten kun je promoveren via een soort kiss-and-go-formule. Wetenschappelijke eisen worden nauwelijks gesteld, zolang je maar betaalt. Vooral in de 16de en 17de eeuw worden op deze manier heel wat bullen uitgedeeld. Het promotietoerisme is zo wijdverspreid dat zelfs mensen van aanzien er geen bezwaar tegen hebben. Zo halen Erasmus (Turijn 1506), Hugo de Groot (Orléans 1598) en vele anderen de voor hun loopbaan nuttige titel.

Maar deze doctores zijn tenminste persoonlijk bij hun promotie aanwezig. In het 19de-eeuwse Duitsland is aan sommige universiteiten zelfs dát niet eens vereist: men kan er promoveren in absentia (in afwezigheid). Men stuurt een (vaak gekochte) dissertatie naar de betrokken universiteit, betaalt het nodige examengeld, en krijgt de doctorsbul thuis per post bezorgd. Men spreekt daarom ook van postkoetspromoties. Niemand minder dan Karl Marx kiest hiervoor. Na zijn studie in Berlijn promoveert hij in april 1841 in absentia aan de universiteit van Jena, een bekende postkoetsuniversiteit.

Ook onze latere koning Willem II (1792-1849) hoeft zich niet echt in te spannen voor zijn promotie. In 1811 krijgt hij in Oxford de titel doctor in het burgerlijk recht, en wel, zoals hij aan zijn moeder schrijft ‘par diplome’. In deze bul, bewaard in het Koninklijk Huisarchief, staat dat de universiteit lubentissime, met grote graagte, na twee studiejaren de doctorsgraad met alle rechten en plichten aan de prins verleent. Een van die rechten, aldus dr. Van Oranje in zijn brief, is het mogen dragen van de speciale, overigens nog steeds bestaande, D.C.L.-kledij (doctor of civil law): vierkante baret en scharlakenrode toga van lakense stof met mouwen van roze zijde. Voor de duidelijkheid voegt hij tussen de regels een tekeningetje toe. ‘Ik heb deze kleren nog niet gedragen’, schrijft de jonge doctor, ‘en ik vrees dat ik er tamelijk lachwekkend uitzie als ik dit ooit moet aantrekken.’ Tot dusver is hij de enige gepromoveerde Oranje.

Zelf je proefschrift schrijven

Bij een promotie hoort een proefschrift of dissertatie. Dat is al honderden jaren zo. Maar er is een groot verschil tussen een dissertatie van vroeger en eentje van nu. In vroeger eeuwen wordt zij namelijk niet noodzakelijkerwijs door de promovendus zelf geschreven. Vaak is de promotor de auteur. Of een andere professor. En soms de promovendus. Want bij de promotie gaat het er om dat je laat zien dat je de in de dissertatie behandelde stof beheerst. Dat je de vragen erover kunt beantwoorden. Dat je goed kunt argumenteren. Dat is eeuwenlang de taak van de universiteit: docere & disputare, overdragen van kennis en leren discussiëren. De promotieplechtigheid vormt de afsluiting van jaren van onderwijs en dispuutoefeningen aan de hand van stellingen en dissertaties.

In de loop van de 18de eeuw verandert dit onder invloed van de pedagogische ideeën van de Verlichting. Zélf oordelen, zelfstandig denken – dit wordt steeds belangrijker. De promovendus moet zelf onderzoek gaan doen en niet meer napraten en herhalen wat hij heeft geleerd.

Het is vooral de Duitser Wilhelm von Humboldt, drijvende kracht achter de stichting van de Berlijnse universiteit in 1810, die erop hamert dat de universiteit onderzoek moet stimuleren. Aan zijn universiteit moet je om de titel Dr. Phil (Doctor Philosophiae) te krijgen niet alleen zélf het proefschrift schrijven, maar vooral, en dat is belangrijk, moet dit de resultaten van eigen onderzoek bevatten. De dissertatie wordt een proeve van bekwaamheid van zelfstandige uitoefening van wetenschappelijke activiteit.

Het Duitse model van het ‘Forschungsdoktorat’ heeft succes. De onderzoeksresultaten leiden tot zo’n groei en bloei van economie en cultuur, dat overal vandaan mensen naar Duitsland trekken om er te studeren. Op den duur wordt deze manier van promoveren overal overgenomen. Van de Duitse titel Dr. Phil maken de Amerikanen het tegenwoordig steeds meer gebruikte PhD. In Oxford weigeren ze deze titel over te nemen: daar promoveer je tot DPhil.

Toga’s uit – en weer aan

Niet alleen de inhoud van de promotie verandert, ook de vormgeving. Dit komt onder meer door de invoering van de doctorsbul rond 1700. Eeuwenlang maakt de formele bevordering tot doctor deel uit van de ceremonie. Je moet dus als promovendus meedoen aan de actus doctoreus, anders word je geen doctor. Het doctorsdiploma wordt echter steeds meer aanvaard als bewijs van de doctorstatus, met als gevolg dat een groeiend aantal studenten probeert te ontkomen aan het volgens hen nu loze promotieritueel.

Zo verdwijnen vanaf rond 1800 zoetjesaan de traditionele gebruiken met hoed, ring, muziek, optochten en ander vertoon. Ze worden vervangen door twee soorten promotierituelen, individueel en groepsgewijs. In beide gevallen moet de kandidaat zijn proefschrift in het openbaar verdedigen. In het eerste geval wordt hem direct daarna de doctorsbul overhandigd (onder meer in Nederland, België, Frankrijk), in het tweede geval gebeurt dit pas enige tijd later, desgewenst – maar niet verplicht – tijdens een feestelijke ceremonie met mededoctores, zoals in Wenen en Uppsala.

In Duitsland zijn de laatst overgebleven tradities, voornamelijk het dragen van academische kledij, nog tamelijk recent overboord gegooid. Op 9 november 1967 begon het oproer toen studenten bij een rectoraatsoverdracht aan de universiteit van Hamburg een meterslang spandoek binnendroegen met de leuze Unter den Talaren – Muff von 1000 Jahren, Onder de toga’s stof van 1000 jaar. De studenten hadden het eigenlijk gemunt op de erfenis van Hitlers duizendjarig rijk: onder die toga’s verborgen de professoren hun gebrek aan wil tot vernieuwing van de vermolmde universiteitsstructuren.

Dit spandoek luidde in West-Duitsland de studentenopstand in. Als symbolen van macht werden academische rituelen en attributen zó belachelijk gemaakt, dat ceremonies en toga’s werden afgeschaft. In ons eigen land creëerde dr. Arie van der Zwan zijn eigen tumult om een toga. Hij weigerde in 1976 in Rotterdam zijn inaugurele rede uit te spreken in dit academische gewaad. Maar de universiteit hield voet bij stuk en de oratie van de kersverse professor werd niet uitgesproken (wel gedrukt).

Niet alleen in Duitsland, ook in andere Europese landen zijn inmiddels – doorgaans op verzoek van de doctorandi – de toga’s weer aangetrokken en de ceremonies hersteld, ja zelfs uitgebreid en verfraaid met enig invention of tradition. De doctores zijn vereerd en trots. Ze zien het ritueel niet alleen als kroon op hun werk, maar genieten ook van de aandacht voor hun prestatie door de aanwezigheid van familie en vrienden.

‘Mijn promotie tot doctor was de mooiste dag van mijn leven’, liet een jonge doctor mij onlangs weten. ‘Mooier dan mijn trouwdag. Want voor een bruiloft hoef je eigenlijk niets te doen of te kunnen, behalve ‘ja’ zeggen. Voor een promotie daarentegen heb je heel wat eigenschappen nodig: concentratie, discipline, uiterste precisie, een flink doorzettingsvermogen, in eenzaamheid werken, en dat jarenlang. Je moet presteren! Bovendien promoveer je doorgaans maar één keer in je leven – trouwen kan vaker. Het promotieritueel als afsluiting van mijn jarenlange onderzoeks- en schrijfproces was voor mij dan ook een onvergetelijke gebeurtenis.’

Hij is niet de enige die er zo over denkt. Vrijwel alle promovendi die ik sprak ervoeren de plechtigheid waarbij hun de hoogste academische graad werd toegekend als een bijzondere belevenis.

Ook de universiteiten zijn vergenoegd. De promotieplechtigheid biedt hun de mogelijkheid zich te profileren. Zij kunnen laten zien wie zij zijn (identiteit) en waar zij voor staan (imago). Nu zien of de herwonnen glans van de promotie in Nederland ook doorwerkt in de maatschappij, zoals Sijbolt Noorda van de vereniging van universiteiten graag wil.