Nog steeds wordt er niet naar mij geluisterd

Op internet zag ik de Amerikaanse publiciste Jane Mayer commentaar geven op het hardnekkige verschijnsel Sarah Palin – zij presenteert zich steevast als de buitenstaander die het opneemt tegen het aftandse en verdorven establishment van Washington, maar in werkelijkheid is ze volkomen met Washington vergroeid. Haar naaste adviseurs komen er vandaan, haar strategie wordt daar uitgestippeld. Haar volksheid, haar simplisme, het bruusk negeren van de politieke mores, het is zorgvuldig bedacht door een nieuwe garde in de Amerikaanse politiek. Haar populisme komt van bovenaf.

Waar doet me dat aan denken?

Amerikaanse columnisten op rechts weten niet hoe snel ze hun handen van Palin moeten aftrekken. Wanneer zij zelf over het volk spreken, dan bedoelen ze dat in klassiek democratische zin van ‘We, the people’ – niet de onwetende, hetzerige meute die Palin op handen draagt. De Republikeinse kandidaat voor het vicepresidentschap bedient zich van een retoriek die zich niet op vertrouwde wijze tegen het softe liberalisme richt, maar tegen het establishment als zodanig – en dus ook tegen henzelf. En tegen hun eigen presidentskandidaat.

Het is even komisch als pijnlijk om te zien hoe John McCain tijdens spreekbeurten de virulente haat van zijn eigen kiezers moet temperen – nee, Obama is geen Arabier, nee, hij is geen terroristenvriend. In het debat is Obama voor McCain een politieke opponent, maar volgens de retoriek van zijn running mate is hij een landverrader, the enemywithin. Nog komischer en pijnlijker is het te zien hoe de milieubewuste Republikeinse gouverneur van Californië, Arnold Schwarzenegger, die nog maar een paar jaar geleden zelf het gezicht van het Amerikaanse populisme vormde, zich gedwongen ziet afstand te nemen van een menigte Palin-aanhangers die tijdens bijeenkomsten ‘Drill, baby drill!’ scandeert.

Campagnemedewerkers klagen openlijk over Palin – ze houdt zich niet aan afspraken, wijkt van de voorgeschreven tekst af, vertoont divagedrag. In hun poging om de rechterflank af te dekken met de keuze voor een rasechte populist, hebben de Republikeinse strategen iets ontketend dat henzelf dreigt te vernietigen.

Waar doet me dat aan denken?

Binnen de Republikeinse partij woedt nu een richtingenstrijd. Het lijkt zeker dat de verkiezingen verloren gaan worden. In weerwil van het heersende cliché lijkt het me aannemelijk dat veel blanke kiezers, wanneer ze zich eenmaal in de privacy van het stemhokje bevinden, voor het eerst in hun leven wél op een zwarte durven te stemmen. Niemand verwacht dat Palin na de nederlaag zal verdwijnen; als fenomeen is ze nog maar net begonnen. Critici weten zeker dat ze de boventoon zal willen voeren in de GOP (Grand Old Party), die vervolgens in tweeën zal splijten, in een pro- en anti-Palinkamp – anders gezegd, in fatsoenlijk rechts en achterbaks rechts.

Terwijl de meeste mensen zich hier verliezen in de euforie over de eerste zwarte president van Amerika, wordt Palin afgedaan als een even vermakelijk als onbegrijpelijk verschijnsel. Serieuze commentatoren zien haar positie als onmogelijk; Palin is razend populair, stellen zij, maar alleen bij een verbeten minderheid.

Dat zullen we nog zien. Als je kijkt naar het populisme, zoals dat zich de afgelopen jaren in Nederland heeft voorgedaan, zie je dat de invloed ervan zich ver buiten het electorale bereik ervan kan uitstrekken. Een van de dragende en vitale leugens ervan is dat de gesmoorde stem van het volk eindelijk gehoord wordt – terwijl het om de meningen en standpunten van een teleurgestelde minderheid gaat. Het is waar dat die stemmen jarenlang niet gehoord werden; de leugen bestaat eruit dat ze zichzelf de stem van het volk wanen.

Het is verbazingwekkend hoezeer die mythe ook in de Nederlandse media voor zoete koek wordt geslikt, vooral onder journalisten die ’s nachts wakker liggen van het democratisch tekort van de vaderlandse elite. Het verklaart de populariteit van wijlen commentator H.J. Schoo, die plotseling links en rechts postuum als ziener wordt omhelst. Zoals columnisten die het niet op eigen kracht redden zich steevast verschuilen achter de brede rug van Karel van het Reve, zo wordt nu in ieder onmachtig artikel over het Hollandse populisme Hendrik Jan Schoo als kroongetuige aangeroepen. In de Volkskrant van gisteren werd hij voor de zoveelste keer aangehaald: het populisme moet niet gezien worden als „abjecte oprisping van een misleid, tot het kwade geneigd en vanaf bovenaf te beheersen electoraat, maar passender (als) een nuttige correctie op democratisch falen”.

Schoo was een weloverwogen criticus van de falende bestuurlijke elite, maar hij was ziende blind voor anti-democratisch ressentiment. Hij zadelde het debat op met een krachtig beeld: van een smetvrezende elite die met dedain neerkijkt op de onwelvoeglijke meningen van het volk.

Dat is de andere mythe: dat een ieder die het aanstormend populisme waagt te bekritiseren, niet weet „wat er leeft’’, hopeloos opgesloten zit in een ivoren toren, echte problemen wil toedekken, smaalt op bezorgde burgers die in het werkelijke leven worstelen met de gevolgen van veertig jaar linkse verdwazing. Wie meegaat in die mythe, zal snel geneigd zijn de racistische waan die gemeengoed is geworden op internet te beschouwen als ‘een nuttige correctie op democratisch falen’. Zo’n tirade over de golf van Marokkanen die Nederland overspoelt, massaal homo’s opjaagt, overal vrouwen voor hoer uitmaakt en ontelbare auto’s in de fik steekt, wordt steevast voorafgegaan door het door de Schoo-aanhang gelegitimeerde adagium: nog steeds wordt er niet naar de burger geluisterd! De burger? Net zo met de onsmakelijke praktijken van de PVV-Kamerleden, die zich tegenwoordig uitleven in ongefundeerde verdachtmakingen over vastgoedspeculatie van bewindslieden en geniepige insinuaties over het asielbeleid van Albayrak, waarbij haar Turkse afkomst onbekommerd wordt uitgespeeld. Mij lijken het stuk voor stuk voorbeelden van democratisch falen, maar ik leef dan ook in een ivoren toren.

Ik geloof best dat de elite neerkijkt op gewone mensen – in een democratie, of het nu Nederland is of de Verenigde Staten, bestaat de elite nu eenmaal grotendeels zelf uit gewone mensen, die in de voortdurende angst leven als zodanig ontmaskerd te worden. Maar ook het hedendaagse politieke populisme komt voort uit de bestuurlijke elite – er is niemand Haagser dan Geert Wilders. Het populisme wordt gedragen door de leugen dat het namens ‘het volk’ spreekt. Wie daar intrapt, is niet goed wijs.