My super sweet 16

Na mijn eindexamen ging ik in Amerika studeren. Van tevoren had ik levendige angsten over ‘Amerikaniseren’, wat volgens mij betekende dat ik in een jaar twintig kilo zou aankomen en dat ik niet meer zou lezen, maar alleen nog maar tv zou kijken.

Vanwege deze angsten besloot ik geen frisdrank te drinken, televisie af te zweren, en mij in plaats daarvan onder te dompelen in activiteiten als het symfonieorkest, het gospelkoor en de boetseerclub.

Toen ik terug kwam uit Amerika woog ik nog precies hetzelfde en wist ik niets van het Amerikaanse televisieaanbod. Maar dat vond ik juist cool en bijzonder van mezelf. Nu denk ik soms: waarom heb ik toen niet van het echte Amerikaanse leven geproefd, met een emmer cola op schoot voor de tv?

Want door bepaalde televisieprogramma’s ben ik later wel meer gaan begrijpen van dat land. En nee, ik ga nu geen theorieën ophangen over Oprah als modern orakel of The Sopranos als metafoor voor de maatschappij. Ik heb het over twee programma’s die iedereen moet kijken die iets van Amerika (en vooruit, ook van de presidentsverkiezingen!) wil begrijpen. Beide programma’s zijn bijna dagelijks te zien op MTV, en ze staan voor het mooiste en het slechtste wat de Verenigde Staten te bieden hebben.

Ten eerste het slechtste: My Super Sweet 16. In deze reality-docu wordt steeds een andere puissant rijke puber gevolgd in de voorbereidingen van zijn/haar zestiende verjaarsfeest. Dat gaat ver: vele duizenden dollars worden besteed aan jurken, helikopters, megasterren die ingehuurd worden, en de ‘entree’ die de puber op het feest moet maken, begeleid door halfnaakte mannelijke modellen of anders roofdieren. Vaak is er een wanhopige moeder die alle jurken te hoerig vindt (wat ze ook zijn), en een vader die uiteindelijk toegeeft. Nadat de ouders hebben gezegd dat de puber die dure cabrio op haar buik kan schrijven, krijgt de puber als cadeau: toch maar de cabrio.

My super sweet 16 zorgt voor een herwaardering van onze eigen calvinistische moraal.

Dan nu het mooiste van Amerika: dat is natuurlijk dat iedereen mag denken dat hij alles kan worden wat hij wil. En dat grootse plannen door deze instelling vaak ook echt meer kans van slagen hebben. In het programma Made worden alweer pubers gevolgd, maar deze hebben een droom. Een mollig meisje zonder danservaring wil ballerina worden. Een Joods jongetje met intellectuele jazzliefhebbende ouders wil een rapper zijn.

De puber krijgt een coach toegewezen die hem in een week of drie moet klaarstomen voor een of ander zenuwslopend evenement (een optreden, een auditie). Dat gaat nooit zonder struggle: vrienden vinden het gek, ouders zijn bang dat het schoolwerk in het gedrang komt, de puber zelf vindt de training te zwaar en de ambitie bij nader inzien te gênant. Maar uiteindelijk volbrengt zo’n puber zijn opdracht en is iedereen trots. Ook als het mollige meisje niet verder gaat met dansen: ze heeft toch maar het lef gehad om die auditie voor het Zwanenmeer te doen. Het komt vaak voor dat ik van ontroering huil bij Made.

En dan nu de maatschappelijke relevantie. Kijk eerst naar Made, en denk dan: dit is eigenlijk Obama. Zonder die Amerikaanse ‘can do’-mentaliteit was deze man nooit zo ver gekomen.

Daarna komt My Super Sweet 16, en dat staat dan in feite voor het campagne-apparaat dat hij achter zich heeft.