'Mensen wonen nu achter de garage'

De Amerikaanse socioloog Mike Davis bestudeert het verlies van sociale verbanden in de wijk. „Veiligheid is het resultaat van sociaal samenzijn.”

Op een los velletje tekent Mike Davis de plattegrond van het typische Amerikaanse huis van voor de oorlog. Kenmerkend is de porch, de open veranda die uitkijkt op de straat. Daar werd in geleefd. Daar zat het gezin uit te blazen als ’s middags en ’s avonds de in de bakstenen en balken opgehoopte hitte van de dag in de benauwde vertrekken binnen werd uitgestraald. Alleen buiten in de schaduw was het nog uit te houden.

Tussen de rijen achtertuinen van de huizenblokken liep de zogenoemde back alley, de achtersteeg, waar de auto’s werden geparkeerd, de kinderen konden spelen, de palen met telefoon- en elektriciteitskabels stonden en waar het vuilnis kon worden opgehaald.

Zo’n buurt was ideaal voor kinderen”, zegt Davis. „Alle ogen waren op straat gericht. Dan ga je vanzelf langzamer rijden.”

Het verlies van sociaal verband in de wijk en de privatisering van de publieke ruimte bij stadsvernieuwing zijn de grote thema’s in de boeken en essays van stadshistoricus en socioloog Mike Davis (61). In boeken als City of Quartz en Dead Cities schetst hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Irvine in Zuid-Californië sombere scenario’s van vervreemding, verpaupering en van de strijd tussen arm en rijk, tussen burgers en projectontwikkelaars in de grote wereldsteden zoals Los Angeles waar hij woont en waar hij is geboren. Zijn laatste boek, The planet of slums; urban involution and the informal working class (2006), behandelt de groei van sloppenwijken in ontwikkelingslanden.

De Tweede Wereldoorlog was een keerpunt in de Amerikaanse woningbouw, doceert Davis. Na 1945 werden woningen gebouwd die met hun rug naar de straat staan. De veteranen die waren teruggekeerd uit de oorlog, wilden privacy. Het accent kwam op het kerngezin te liggen. Het zomerse sociale verkeer verplaatste zich naar de omheinde achtertuin, met zwembad. Uitblazen op de veranda was niet meer nodig, want airconditioning hield het huis koel. Het betekende het einde van de sociale controle in Amerikaanse buurten. Davis: „De woning staat verscholen achter een driedubbele garage. Mensen gaan onmiddellijk naar binnen en zetten de tv aan. De straat wordt kaal. Elementaire publieke voorzieningen als stoepen ontbreken. Achterstegen worden niet meer aangelegd of ze worden afgesloten uit angst voor misdaad. Het nieuwe privatopia levert geen veilige ruimten op. Veiligheid is het resultaat van sociaal samenzijn. Mensen die de buurt in de gaten houden en op elkaars kinderen passen. The Night Stalker, een beruchte verkrachter in Los Angeles uit de jaren zeventig, kon in afgesloten huizen zijn gang gaan met martelen en moorden, omdat niemand hem daar zag. Maar toen hij eens een keer ’s avonds zijn slag sloeg in East Los Angeles (een stadsdeel met veel zwarte en hispanic inwoners, red.) kon hij worden gearresteerd. Hier stond de hele buurt toen nog ’s avonds te praten.”

Toch heeft Davis zelf ook de porch van zijn huis in San Diego afgebroken. Het gaat schuil achter een brede, blinde muur, terwijl zijn buurvrouw nog een ouderwetse open veranda heeft. De bunkerachtige façade dient als voorgevel van een tot werkkamer omgebouwde garage die op de eerste etage een vierkante uitkijkpost van glas heeft. Maar in de glazen doos wordt het zo heet, dat hij er nooit zit.

‘Russisch constructivistisch’, zo noemt Davis de verbouwing die hij samen met een vriend heeft ontworpen en gebouwd. Hij heeft zich laten inspireren door de huizen in Tijuana, de naburige stad in Mexico waar zijn jonge vrouw vandaan komt. In de sloppenwijken ontwerpen de bewoners zelf hun huizen, wat een grote verscheidenheid van woningen oplevert.

Davis ontleent veel aan eigen persoonlijke ervaring. Omdat zijn vader jong was gestorven, moest hij op zijn zestiende al werken als uitbener in een slachterij. Later werd hij vrachtwagenchauffeur. Voor het Getty Institute leidde hij architectuurstudenten rond langs de duistere delen van Los Angeles. Tussendoor studeerde hij. In Londen was hij zes jaar redacteur van de New Left Review. Nu schrijft hij voor het Duitse weekblad Die Zeit.

Davis is internationalist van de trotskistische soort. Hij beschrijft de sociale achteruitgang van laaggeschoolden die goed betaalde banen in de fabriek moesten verruilen voor slecht betaald werk in de diensteneconomie. Het middenklassestadje waar hij opgroeide, El Cajon, is om die reden vervallen tot een oord voor arme immigranten, wier huizen overvol en vervallen zijn.

Davis werd in 1990 bekend met City of Quartz (1990), zijn boek over Los Angeles. Hierin beschrijft hij onder meer hoe burgers zich uit angst voor waardeverlies van hun huis en voor te hoge belastingen afzonderen in een zelf opgericht dorp. Hierdoor kent Zuid-Californië versplinterde lokale bestuurseenheden en nauwelijks een centraal gezag dat is opgewassen tegen grote commerciële partijen en actiegroepen van huizenbezitters. Wel heeft de streek veel politie om de bange, afgezonderde burgers met technisch geavanceerde apparatuur te beschermen.

Bij het schrijven van City of Quartz heeft Davis zich laten inspireren door de science fiction-film Blade Runner uit 1982. Hierin moet een soort politiestaat een opstand bedwingen van door wetenschappers ontworpen kunstmensen, de zogenoemde Replicants. Nu wordt Davis gefascineerd door de spraakmakende Amerikaanse televisieserie The Wire over het hedendaagse Baltimore, geschreven door een voormalig politieverslaggever en een ex-detective. Hij vertelt enthousiast over de drugsbendes, de overal aanwezige camerabewaking, de zeeliedenbond en de Russische maffia, die in de serie voorkomen. „Het is alsof je Zola leest”, zegt hij.

Maar schildert Davis het beeld van de Amerikaanse grote steden niet in te zwarte tinten? Er is toch sprake van een opleving van historische binnensteden, niet alleen in Baltimore en andere Amerikaanse steden, maar ook in West-Europa? Zelfs in de moeder aller suburbia, Los Angeles, wordt het centrum opnieuw opgebouwd en hebben yuppies zolders van oude pakhuizen tot woningen verbouwd.

„Dat gebeurt”, erkent hij. „Maar niet op de goede manier. Er is inderdaad een groeiende vraag naar traditionele stedelijke omgeving. Maar aan die vraag wordt voldaan met nagebootste stadslandschappen, niet met een klassieke, democratische leefruimte waar alle soorten mensen een plaats krijgen.”

Het heeft veertig jaar geduurd voor er eindelijk echt mensen in het centrum van LA zijn gaan wonen, legt hij uit. „Dat hebben ze gedaan door de extra belastinginkomsten ten goede te laten komen aan projectontwikkelaars. De stad koopt de vervallen gebouwen op en verkoopt ze aan ondernemers die ze restaureren. De gegroeide belastinginkomsten gaan niet naar de bijstand of naar scholen, ze worden in een fonds ondergebracht om de wijk verder te ontwikkelen. Daar komt nog bij dat bedrijven steeds meer eisen stellen aan hun vestigingsplaats. Het stadsbestuur heeft hier geen enkele invloed op, het enige dat ze rest is voldoen aan het verlanglijstje van bedrijven. Ze profiteert niet van de winsten van globalisering. Die worden teruggeploegd in de bedrijven.”

Davis geeft een voorbeeld van deze ontwikkeling: „In de jaren zeventig heb ik nog in de ontwerpcommissie van Pasadena gezeten. Daar zou het historische zakencentrum in verval zijn geraakt. Er waren daar veel kleine, zwarte kruideniers. Het gemeentebestuur ging toen investeren in een commercieel winkelcentrum. Elke vrijdagavond trekt dat zo’n 5.000 mensen maar de echte familiebedrijven zijn verdwenen. Je vindt nu dezelfde winkels als in de voorstad. En uiteraard zijn er veel politiemensen nodig om de boel in de gaten te houden.”

Zo worden overal in Amerika historische binnensteden omgekat tot shoppingmalls. Die trekken wel bezoekers maar ze missen het belangrijkste element van een traditionele stad: promiscuïteit. Voor de sociologen van de Chicago School uit de jaren twintig was promiscuïteit het sleutelbegrip van steden. Daarmee bedoelden ze de intimiteit tussen vreemdelingen. In de pseudostedelijke landschappen van tegenwoordig staat intimiteit tussen vreemdelingen het eigenlijke doel van de bedenkers in de weg, namelijk om mensen zo snel mogelijk te lokken naar de volgende kassa.

„Jonge mensen die willen rondhangen op een plein, zoals dat op de Italiaanse piazza’s gebeurt, zijn een justitieel probleem geworden. Zelfs steden als Santa Monica in Los Angeles hebben wetten die dat verhinderen, tenzij die jongeren winkelen. Steden zijn in de mode maar de middenklasse wil niet een echte stad, maar een pretparkervaring. Projectontwikkelaars voldoen maar al te graag aan deze vraag. De stadswandeling begint steeds meer te lijken op een tocht door de Universal Studio’s van Los Angeles.”

Ook de oude Europese binnensteden ontkomen niet aan de ‘verpretparkisering’, gelooft Davis. „Het is zelfs nog erger in Europa. Frankrijk is in één generatie helemaal veranderd. Vroeger had je op elke hoek van de straat een kleine familiezaak. Nu is die straathoek leeg en staan buiten de stad de hypermarchés. In Ierland is het precies hetzelfde. Daar gaat iedereen ook met zijn stationwagon naar de megamarkt. Waar blijft de politieke macht van de kleine middenstand in Europa die vroeger kleine boeren en bakkers verdedigde?”

De laatste keer dat Davis in Frankrijk was, kwam hij erachter dat hij beter brood kon krijgen in San Francisco. „Natuurlijk zijn alle Franse restaurants goed maar verder is de stad dood. Geen wonder dat Frankrijk de afgelopen twintig jaar nostalgische films heeft gemaakt over het traditionele Parijs van Edith Piaf. Dat bestaat al sinds grootmoeders tijd niet meer.”