'Ik wil de beste schaatser ooit worden'

De afgelopen twee jaar won schaatser Sven Kramer (22) bijna alles, maar verzadigd is hij niet. „De kick van het winnen kun je nergens anders uithalen.”

Rustig roert Sven Kramer op een avond in oktober tijdens een trainingskamp in het Zuid-Duitse Inzell in een kop heisse Chocolade. „Tot op dit moment gaat het hartstikke goed. Dan hoef ik niet terughoudend te zijn, dat gevoel heb ik helemaal niet.”

Al ruim voordat hij gisteren bij de NK afstanden het nieuwe schaatsseizoen begon met een nationale titel op de vijf kilometer, trakteerde de alleenheerser van de afgelopen twee jaar pers en publiek op een aantal stevige uitspraken. Drie keer olympisch goud wil hij volgend jaar in Vancouver. Minimaal. En vier jaar later in Sotsji nog eens. „Ik heb al zoveel gewonnen. Dan zou ik liegen als ik zeg: ‘ik vind het gaaf om in Vancouver op het podium te eindigen’. Dat kun je niet menen. Ik wil prijzen pakken, je hebt er niets aan om dat onder stoelen of banken te steken. Goud is het enige dat ik wil.”

Geen spoor van terughoudendheid. „Mag ik mijn ambities niet tonen? Ik hou van sporters die zich durven uitspreken, er zijn er in Nederland al genoeg die zich de mond laten snoeren.” Dus vergeleek Kramer zichzelf afgelopen zomer zonder blikken of blozen met Michael Phelps, de Amerikaanse zwemmer die in Peking een recordaantal van acht gouden medailles won. „Heeft niets te maken met het aantal plakken, maar puur met het feit dat hij overall de beste is. Hoeveel medailles je kunt winnen, hangt af van de sport die je doet. Ik wil de allerbeste schaatser worden, dat probeerde ik met deze vergelijking aan te geven.”

Het boegbeeld zijn en de schaatssport ook buiten het ijs naar een hoger niveau tillen, is een andere ambitie die hij uitsprak. „Zoals Rintje Ritsma dat deed. Door hem is de sport veel professioneler en commerciëler geworden. Schaatsen heeft nog nooit zo’n aantrekkelijke uitstraling gehad als nu.” Voelt hij zichzelf al boegbeeld? „Ik zou liegen als ik dat ontken. Overal waar schaatsen tegenwoordig wordt genoemd, valt de naam Sven Kramer. Dat is snel gegaan, je wordt snel volwassen in een volwassen wereld. Dat gebeurt grotendeels onbewust, niet van het ene op het andere moment. Alles staat of valt met prestaties. Je kunt mooie ideeën hebben over sport, maar als je niet presteert dan roept iedereen: wat wil jij nou?”

Na twee Europese en wereldtitels allround, zes wereldtitels op een afstand en wereldrecords op de vijf en tien kilometer kan Kramer zich een mening veroorloven. Hij kapittelt de stuurloze schaatsbond en vestigt zijn hoop op de commissie onder voorzitterschap van Ard Schenk, die zoekt naar een nieuwe voorzitter, een nieuwe structuur en een nieuwe directeur topsport. „Ja, het is een zooitje. Terwijl in zo’n belangrijke periode, een jaar voor de Spelen, iedereen juist gebaat is bij rust. Ik zit bij TVM. Daar is alles prima geregeld, sporttechnisch en alles eromheen. Daardoor word ik beschermd. Ik kan mijn zegje doen, verder moet ik er geen energie aan besteden. Maar het is niet lekker om te weten dat het op het bondsbureau een dikke bende is. Het is moeilijk om mensen aan te spreken omdat je niet weet wie wat doet. En ik word straks afgerekend op het resultaat, zij niet.”

Niets of niemand mag zijn grootste ambitie in de weg staan: de beste schaatser aller tijden worden. „Dat moet ik eerst nog even doen hoor. En wat Eric Heiden heeft gedaan – vijf keer goud op één Spelen – gaat me gewoon niet lukken. Simpel. Om de allerbeste te worden, moet je meerdere jaren goed zijn. Niet een paar toernooien, maar jaar in jaar uit alles blijven winnen. Dan wordt er pas over je gesproken. Titels maken het verschil.” Waar hij nu al staat op de ranglijst van de besten aller tijden? „Nog lang niet bovenaan, maar ik kom al aardig in de buurt. En ik heb ook nog wel even.”

Wie zichzelf nog voor de eerste wedstrijd van het seizoen zulke hoge doelen oplegt, moet zich sterk voelen. Spreekt hij die doelen bewust uit, om de concurrentie te demoraliseren en de eigen status van onkwetsbare superkampioen te cultiveren? „Misschien werkt het wel zo. Hoewel bewust? Ik zeg dit niet omdat ik wil dat er zo naar mij wordt gekeken. Ook niet om mijn tegenstanders te imponeren. Ik denk niet dat Enrico Fabris Nederlandse kranten leest. Het is gewoon wat ik op dit moment denk en voel.”

Sinds Kramer in 2005 als achttienjarige debutant het NK allround won, loopt de lijn louter omhoog. Nooit een barstje in het pantser, nooit een spoor van twijfel? „Jawel. Aan het begin van het seizoen, als iedereen wedstrijdjes aan het rijden is, denk ik weleens: ik ga nog niet beginnen. Het wordt steeds gekker, iedereen gaat steeds vroeger steeds harder. Maar het EK is in januari, dat duurt nog even. Liever nu wat te overtraind, dan te vroeg topfit.” Twee dagen later reed hij een nieuw wereldrecord 3.000 meter op buitenijs.

Echt twijfelen, zoals bijvoorbeeld Gianni Romme dat vaak deed, zijn voorganger als superstayer? „Ik heb Gianni wel in de kleedkamer gezien, dat ik dacht: tjongejonge, hoe is het mogelijk. Toch blijft hij voor mij een van de allergrootste schaatsers. Bij hem was het alles of niets, dat was ook wel weer gaaf. Er zijn meer toppers die zulke extreme twijfels hebben. Sommigen putten er ook onwijs veel kracht uit. Iedereen doet het op zijn manier.” Volgens ploeggenoten was zelfs Eric Heiden elke wedstrijd bang om eraf te worden gereden. „Dan wil ik dat ook wel zijn”, reageert Kramer lachend. Dan serieus: „Er zit best twijfel bij mij. Maar het overheerst niet. Absoluut niet.”

En afgelopen seizoen, toen hij een week voor de WK allround in Berlijn onzeker leek? „Ik heb nooit het gevoel dat ik een allroundtoernooi makkelijk ga winnen. Een week van tevoren giert bij mij ook de spanning binnen. Je komt op de baan waar het moet gebeuren, dan kun je er niet meer voor weglopen. Je realiseert je dat één misser fataal kan zijn. De angst om te verliezen, die is er gewoon. Maar het motiveert me tegelijkertijd ook weer heel erg. De kick van het winnen, die kun je nergens anders uithalen. De pure euforie. Ik vind trainen mooi, soms zelfs mooier dan wedstrijden. Maar de voldoening als alles eruit komt waarvoor je zolang hebt gewerkt… dat is mooier dan trainingen.”

Ook de tegenslagen die andere toppers als baanwielrenner Theo Bos en wegrenner Thomas Dekker dit jaar te verwerken kregen, schrikken Kramer niet af. Dekker kwam in conflict met de leiding van de Raboploeg, miste de Tour en vertrok naar Silence-Lotto. „Ik hoop niet dat het met mij over een paar jaar zo gaat als nu met hem. Dit past niet bij hem, zonde gewoon.” Mazzel, dat in het schaatsen doping veel minder een thema is dan in het wielrennen? „Ik steek voor niemand mijn handen in het vuur, maar ik geloof dat bij het schaatsen veel minder aan de hand is. Zoals het nu in de wielersport gaat, valt niet meer te verkopen.”

Vijfvoudig wereldkampioen Bos won in Peking geen medaille. „Het lijntje is dun, dat weet ik. Het kan zomaar ergens mis gaan. Ik vond het zonde voor Theo, hij blijft een geweldige sportman. Dit is keihard voor hem. Alleen: wat zou voor mij de reden zijn om me daar nu ineens mee bezig te gaan houden?”

Gevraagd naar de vergelijking zei Bos onlangs zelf dat Kramer meer marge heeft ten opzichte van de concurrentie dan hij. „Een rondje voorsprong op de tien kilometer, zoals bij de WK afstanden vorig jaar, dat is inderdaad marge. Maar drie seconden op de vijf is dat niet. Dat is drietiende per rondje. Ik kan absoluut nergens verslappen, want ze staan klaar om mij eraf te rijden. Dat is het enige wat ze elke dag in de kop hebben. Er is maar één target, dat ben ik. Daar ben ik mij terdege van bewust. Is ook wel leuk hoor, zo’n positie.”

Raakt grenzeloos zelfvertrouwen niet aan arrogantie? „Ik vind het belangrijk dat ik een goede verstandhouding heb met de mensen om mij heen, zodat ik op hen kan terugvallen als het wat minder mocht gaan. Wederzijds trouwens. Maar daarbuiten heb ik weinig met het oordeel dat mensen over mij hebben. Ik heb er ook geen invloed op. Mensen denken maar wat ze willen. Zolang ze me niet kennen, interesseert het me niet.”

En of hij egoïstisch is? „Tot op zekere hoogte. Belangrijk is om een balans te vinden: wanneer ben ik egoïstisch, wanneer niet. Bij mezelf voelt dat goed. Ik kan een hufter zijn, hoor. Maar niet als het niet nodig is. Naarmate de wedstrijden dichterbij komen, word ik scherper. Als er iets verkeerd dreigt te gaan, moet je hard zijn. Dat kan ten koste gaan van anderen. Als ik denk dat ik zo in de beste situatie kom om te winnen…”

Zo maniakaal als zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong, met wie sommigen hem wel vergelijken, wil Kramer zich niet noemen. „I don’t fucking care, riep Lance altijd. En ik denk dat het zo moet zijn als je zeven keer de Tour wil winnen. Ik kan heel veel opzij zetten voor het ene doel. Maar niet tot in het extreme. Daarvoor is het leven gewoon te mooi.”

Hij geeft toe dat zes volle topsportjaren hun sporen hebben nagelaten. „Mijn lijf is niet meer dat van iemand van 22, topsport is niet supergoed voor het lichaam. Je leeft op zo’n dunne lijn. Soms word je wakker en kun je nauwelijks uit bed van de pijn. Soms moet je daar voor het mentale gewoon doorheen beuken. Ik heb wel dingen gedaan, hoor. Stug doorgaan met een blessure omdat ik het gevoel had dat ik geen dag training kon missen. Daar ben ik nu wat vanaf gestapt. Rust is net zo belangrijk als training.”

Verwacht van hem geen interessante bespiegelingen over de concurrentie. „Ik heb alleen invloed op mijn eigen prestaties.” En de factor pech of geluk? „Je probeert alles in de hand te hebben, maar dat gaat gewoon niet lukken.” Gelooft Kramer in de theorie dat echte toppers op cruciale momenten geen pech hebben? „Soms zijn mensen zo goed dat het niet uitmaakt. Dat moet voor mezelf in elk geval het gevoel zijn.”

Zoals hij ooit, in november 2005 in Salt Lake City, uit verloren positie een vijf kilometer van Carl Verheijen won en zijn eerste wereldrecord schaatste? „Dat leek onmogelijk, ja. Het was een wereldrecord waar ik de hele nacht van wakker heb gelegen. Tegenwoordig heb ik dat niet meer. Na een wereldrecord slaap ik net zo als anders.”