'Ik weet pas wat leed is, nu het vrede is'

‘Tot vijf jaar geleden was mijn leven een sprookje. Alles wat ik deed, veranderde in goud. En daar dacht ik geen seconde over na. Het was normaal. Pas sinds een tijdje weet ik dat het leven ook heel kwetsbaar kan zijn. En hoe pijnlijk het is om te lijden. Eerder had ik geen idee. Ook al groeide ik op tijdens de meest gewelddadige periode van het Noord-Ierse conflict en waren de troubles nog steeds niet voorbij toen ik na tien jaar reizen weer terugkwam in mijn geboorteland.

Als klein jongetje was het conflict tussen unionisten (degenen die willen dat Noord-Ierland Brits blijft) en nationalisten (de mensen die willen dat Noord-Ierland Iers wordt) simpelweg een realiteit. Het Royal Belfast Academical Institution waar ik naar de middelbare school ging, werd regelmatig geëvacueerd omdat er bommeldingen waren. En de stad was altijd vol militairen en politie. Regelmatig werden er mensen gedood. Maar ik kan mij niet herinneren dat mij dat schokte. Ik was een hardvochtig en tegelijkertijd naïef jongetje. Ik wist niet beter; de troubles waren gewoon een onderdeel van mijn leven.

Op mijn negentiende ben ik, zoals heel veel jongeren, Noord-Ierland ontvlucht. Ik wilde weg uit dat sombere, geïsoleerde land waar religie een veel te groot stempel op ieders leven drukte. Ik wilde de wereld zien. Ik wilde leven. Ik heb veel gereisd en ontmoette in Griekenland mijn – Canadese – vrouw Jeanne. Samen werkten we in restaurants en leerden het vak. Niet alleen in kleine bistro’s, maar ook in tenten met drie sterren. Na jaren reizen en werken in Azië eindigden we in Californië. In een topzaak met een oplichter als eigenaar. Wij werkten keihard, maar hij maakte er één grote financiële bende van. Dus toen mijn broers voorstelden om een eigen restaurant in Belfast te beginnen, raakten we enthousiast.

We hadden twee kinderen en de jongste was net zes dagen oud toen we uit de Verenigde Staten vertrokken. Natuurlijk hadden we er over nagedacht of we onze kinderen in Noord-Ierland wilden laten opgroeien. Want in tegenstelling tot mijn ouders hadden wíj een keuze. Maar ook Jeanne vond Noord-Ierland een prima plek voor de kinderen. Dat klinkt voor buitenstaanders misschien gek, maar wij vonden Noord-Ierland veel veiliger dan Londen of Los Angeles. En er was meer dat Ulster aantrekkelijk maakte. Het onderwijs is van hoge kwaliteit en ook nog eens gratis. En toentertijd was er nauwelijks sprake van drugsmisbruik of criminaliteit.

Voor outsiders was Belfast eind jaren tachtig een afschuwelijk oord, maar mensen die er woonden hadden het gevoel dat er iets aan het veranderen was. Alsof er een lichtvoetiger sfeer ontstond. Er was hoop. En wij maakten daar deel van uit. Ons restaurant stond op een plek die in de volksmond de Golden Mile werd genoemd; een gedeelte van een straat vlakbij het centrum waar eind jaren tachtig meer restaurants werden geopend. Onze moed werd beloond. De mensen trokken hun mooie kleren aan en gingen uit eten. De Golden Mile werd het embryo van de wedergeboorte van Belfast. En wij werden het symbool voor het nieuwe Noord-Ierland. Een vriend van mij beweert zelfs dat de Noord-Ierse vrede begon toen wij Roscoff openden, want Noord-Ierland had nog nooit een restaurant met een Michelinster gehad.

We waren behoorlijk naïef en idealistisch. Ik dacht serieus dat als we maar hard genoeg werkten en ons best deden, we automatisch succes zouden hebben. Maar in de beginjaren hadden we fikse schulden. En ook de troubles gingen niet aan ons voorbij. Een bomaanslag op een politiestation vlakbij veroorzaakte enorme schade. Maar dat weerhield ons, en ook de gasten niet, om gewoon door te gaan. Je veegde het glas aan de kant, timmerde hardboard voor het raam en ging gewoon verder. Niemand was in die tijd snel van zijn stuk gebracht. Ik denk dat mensen in Libanon en Kasjmir net zo leven. Als het waait, doe je de deuren dicht en als het buiten rustiger is, gooi je de luiken weer open. Zo werkt de menselijke geest; mensen willen overleven. Een verlangen dat in Noord-Ierland heel sterk ontwikkeld is.

Soms gebeurden er afschuwelijke dingen. Een van mijn koks bijvoorbeeld werd voor de ogen van zijn vriendin onder bedreiging van een wapen gekidnapt. En ook werd er eens een bordenwasser in de keuken door paramilitairen afgetuigd. Je kon zijn geschreeuw in het restaurant horen. We hebben de politie gebeld en even later rende de oproerpolitie dwars door de zaak naar de keuken. Ik onderging dat gelaten. Ik had ervoor gekozen om terug te keren naar Noord-Ierland en vond dat dat soort dingen er gewoon bij hoorde. Dat klinkt idioot, maar zo voelde dat toen. Het raakte mij niet emotioneel; ik werd er niet door beschadigd. Ik zag het als pech. Te vergelijken met het in de prak rijden van een auto.

Ik concentreerde me op de positieve kanten. Ik ben, net zoals alle Noord-Ieren, reuzetrots op mijn geboorteland. Ik vind het een onaangeraakt juweel. Bovendien is Noord-Ierland altijd heel goed voor mij geweest. Het heeft me rijkdom gegeven, een geweldige opleiding voor mijn kinderen, een fantastisch huis, goeie vrienden, en een sterrenstatus nadat ik op de nationale tv het kookprogramma Gourmet Ireland ging presenteren. En met politiek bemoei ik mij niet. Ik stem zelfs nooit. Dus ik heb geen littekens overgehouden aan het Noord-Ierse conflict.

Ik weet pas wat leed is, nu de troubles voorbij zijn en het vrede is in Noord-Ierland. Voor het eerst in mijn leven heb ik te maken met tegenslag. Zware tegenslag. Vijf jaar geleden is mijn vrouw van haar paard gevallen en brak zij haar rug. Ze heeft twee enorme operaties moeten ondergaan en is daarna verslaafd geraakt aan pijnstillers. Jeanne, mijn steun en toeverlaat, werd een junkie. Haar afkickproces was een afschuwelijke tijd. Ik heb jarenlang voor haar gezorgd.

Daarnaast zat het zakelijk tegen. De plannen die ik had, mislukten. Kwamen niet van de grond. Plots proefde ik de bittere kanten van het leven. En dat deed pijn. Heel veel pijn. In het begin probeerde ik te verzinnen waarom al die ellende gebeurde, maar inmiddels weet ik dat tegenslag nooit een reden heeft. Tegenslag overkomt je.

Door alle ellende werd ik gedwongen om naar mijzelf te kijken en ontdekte ik dat ik mijzelf totaal uit het oog had verloren. Ik heb keihard gewerkt en me laten meeslepen door het sterrendom. Ik heb geprobeerd om een grote jongen te zijn, maar ben daar eigenlijk helemaal niet in geïnteresseerd. Ik wil helemaal niet van hot naar her rennen om te vergaderen en mijzelf te verkopen. Soms word ik ’s ochtends wakker en zou ik willen dat ik die dag alleen maar mijn koksbuis hoef aan te trekken en te koken. Want als ik achter de stoof sta, ben ik het gelukkigst.

De afgelopen jaren waren zwaar, maar ik heb er veel van geleerd. Ik moet veel meer luisteren naar wat ik zelf wil. Terug naar mijn eigen essentie; het vinden van pure smaken. Ik ben nog lang niet aan het einde van die zoektocht. Ik ga een aantal van mijn zaken verkopen, zodat ik ruimte en geld krijg om mij op die zoektocht te kunnen concentreren. Ik wil vrede vinden met mijzelf. En weer gelukkig worden in Noord-Ierland. Terug naar het naïeve en idealistische, maar niet langer hardvochtige jongetje.’’

Marloes Elings