Hoe tolerant we waren in 1995

Eva Jaspers – Intolerance over time. Macro and micro level questions on attitudes towards euthanasia, homosexuality and ethnic minorities – 191 p. Radboud Universiteit Nijmegen, 24 oktober 2008. Promotores: Prof.dr. N.D. de Graaf, Dr. M. Lubbers

Het viel me weer eens op tijdens een congres in Italië vorige week: de romantisering van Nederland als een paradijs van tolerantie. De romantisering is zelfs nog sterker geworden nu in het buitenland steeds meer het beeld is ontstaan dat dit Nederland niet meer bestaat. We staan er ook bepaald niet meer gunstig op in het buitenland. We gelden als xenofoob en discrimineren de minderheden in ons land. Twee politieke moorden gelden als bewijs voor sterk toegenomen spanningen tussen bevolkingsgroepen. Bejaarden en kleine kinderen zijn bij dokters niet meer veilig en een pedofielenpartij kan aan de verkiezingen meedoen. Ik hoef niet te zeggen dat het nauwelijks mogelijk is dit soort ideeën en vooroordelen nog te corrigeren.

Het proefschrift van Eva Jaspers gaat niet over de opvattingen van buitenlanders, maar van de Nederlanders zelf. Ze beperkt zich niet tot een simpele meting van de attitudes van Nederlanders op dit moment, maar kijkt naar de ontwikkeling van hun mening in de loop van de tijd. Zij wil weten of en hoe de meningen van Nederlanders over homoseksualiteit, euthanasie en etnische minderheden zijn veranderd tussen ongeveer 1970 en 2005. Dat is een erg lange periode, waarin niet alleen de meningen, maar ook de thema’s waar de mensen een mening over hebben sterk veranderd zijn. In 1970 telde Nederland niet veel meer dan 1 procent etnische minderheden en nu bijna 11 procent. Homoseksueel contact met iemand onder de 21 jaar was voor een volwassene nog strafbaar en werkelijk niemand heeft toen gedacht dat het huwelijk voor homo’s opengesteld zou kunnen worden. Euthanasie begon wel al in discussie te komen, maar bijna niemand had het ooit in de eigen omgeving meegemaakt en geen dokter wist hoe je het op een goede manier zou kunnen doen. Attitudes hoeven geen verbinding met de realiteit te hebben, maar de werkelijkheid kan attitudes wel heel sterk beïnvloeden. Dat kan zowel op het niveau van het individu als van de samenleving.

Je kunt mensen natuurlijk vragen

of ze in 1970 of 1990 dezelfde opvattingen hadden als nu. Eva Jaspers doet dat ook, maar wel met een heel speciale bedoeling. Ze wil onderzoeken hoe betrouwbaar dat soort herinneringen is. Dat kan alleen als ze ook echt weet wat de opvattingen van de betrokken personen in het verleden zijn geweest. Dat weet ze, omdat het in haar onderzoek inderdaad mogelijk is gebleken het antwoord dat iemand (bijvoorbeeld) in 1995 in onderzoek heeft gegeven op de vraag of homoseksuelen zoveel mogelijk vrij gelaten moeten worden hun leven te leiden zoals ze zelf willen, te vergelijken met het antwoord dat iemand daar ruim tien jaar later uit zijn herinnering op geeft. Het is heel bijzonder dat dit gelukt is. Ook in de internationale literatuur zijn daar niet veel voorbeelden van te vinden. De conclusie is voor onderzoekers niet zonder meer bemoedigend. Mensen beschouwen zich gemiddeld als standvastiger in hun mening dan ze in werkelijkheid zijn.

Bij longitudinaal onderzoek

moet rekening gehouden worden met cohort- en periode-effecten. Jongere generaties hebben leeftijdgenoten in de etnische minderheden, oudere generaties hebben minder onderwijs genoten, zijn vaak religieuzer en hebben als verandering meegemaakt wat voor jongeren vanzelfsprekend is. Dat soort verschillen bepaalt tot op grote hoogte de attitude die mensen hebben en ook de kans dat de opvattingen in de loop van de tijd ook weer veranderen. Eva Jaspers houdt daarbij ook rekening met persoonlijke ervaringen, bijvoorbeeld de coming out van een familielid als homo. Een op de drie respondenten heeft dat minstens een keer meegemaakt, zoals een op de vier een geval van euthanasie rapporteerde (een hoog cijfer vergeleken met de officiële statistieken). Persoonlijke ervaring maakt in positieve zin echt wat uit, zoals ook de sfeer in het ouderlijk gezin thuis invloed heeft op de samenhang in de attitudes van ouders en kinderen.

Hoewel het proefschrift

het begrip intolerantie in de titel voert, gaat het toch vooral om tolerantie. In dat opzicht klopt het beeld van Nederland als een progressief en tolerant land toch wel. Intolerantie ten opzichte van homoseksualiteit en euthanasie wordt vooral, maar ook bij hen zeker niet als overheersende attitude, aangetroffen bij oudere en sterk gelovige mensen. Ten opzichte van de etnische minderheden is het beeld wat minder positief en in de loop van de tijd is dat ook eerder sterker dan minder geworden. Daarbij moet men wel bedenken dat bijvoorbeeld de vraag of men het bezwaarlijk zou vinden een gezin uit een minderheidsgroep als buren te hebben, nu een heel andere betekenis heeft dan dertig of veertig jaar geleden. In een longitudinaal onderzoek als dit is het heel moeilijk ook nog rekening te houden met verschuivingen in betekenis van bepaalde maatschappelijke verschijnselen. Met minderheden worden nu vooral ‘moslims’ bedoeld en wordt nauwelijks nog aan bijvoorbeeld Surinamers gedacht (dertig jaar geleden was dat precies andersom). Van de problemen van en met de tweede generatie van vooral Marokkanen had men twintig jaar geleden nog geen idee, en inderdaad, 9/11 en de moord op Theo van Gogh hebben het beeld ook weer sterk veranderd ten opzichte van tien jaar geleden.

Het zou mooi geweest zijn

als Eva Jaspers in haar onderzoek ook een situatie had kunnen opnemen waarin tolerantie echt plaats heeft gemaakt voor intolerantie. Over pedofilie werd dertig jaar geleden echt anders gedacht dan tegenwoordig. Uiteraard wilde ook toen geen ouder dat het eigen kind er slachtoffer van zou worden, maar in de nadagen van de seksuele revolutie leek dat toch meer een restant van een seksueel repressief verleden dan een natuurlijke reactie. Ik denk dat heel weinig mensen nu bereid zouden zijn te erkennen dat ze vroeger vonden dat ook pedofilie toch ‘moest kunnen’. Dat vindt nu niemand meer, maar er zijn zeker ook maar weinig mensen die hun afwijzing van pedofilie als een vorm van intolerantie zouden kwalificeren. Hier is de tolerantie fout geworden.