'Florence aan de Rijn' eert een kunstminnaar

Tentoonstelling Himmlisch – Herrlich – Höfisch; Peter Paul Rubens, Johann Wilhelm von der Pfalz und Anna Maria Luisa de’ Medici. Museum Kunst Palast, Düsseldorf. T/m 11 januari, di–zo 11–18 uur. Cat. 224 blz. (geb., incl. dvd, uitg. Seemann), 29,90 euro. Inl. museum-kunst-palast.de

‘Pelegrini fecit Dusseldorpii’, luidt de signatuur van een groot schilderij van de heilige Sebastiaan (circa 1713), van de hand van Gian Antonio Pellegrini. Zeker in Nederlandse ogen suggereert de, verlatijnste, spelling van de plaatsnaam in dat opschrift een kleine omvang en een landelijke karakter van de plaats. Maar Düsseldorf, tegenwoordig een van de tien grootste steden van Duitsland, was omstreeks 1700 geen onbeduidende plattelandsgemeente meer. Al in de dertiende eeuw had het toenmalige Dusseldorp stadsrechten verworven. Nadat de stad in de zeventiende eeuw was toegevallen aan het huis Palts-Neuburg, koos keurvorst Johann Wilhelm von der Pfalz (1658-1716) haar in 1690 als zijn hoofdresidentie.

Het 350ste geboortejaar van de vorst, die in Düsseldorf liefkozend ‘Jan Wellem’ werd genoemd, is daar de aanleiding voor allerlei festiviteiten. Het hoogtepunt daarvan vormt een expositie in Museum Kunst Palast die zijn rol als minnaar en bevorderaar van de beeldende kunsten illustreert. Johann Wilhelm moet de liefde voor de kunst met de paplepel ingegoten hebben gekregen. Zo wedijverde zijn grootvader, Wolfgang Wilhelm, met Europese vorsten als koning Karel II van Engeland, door een opdracht te verlenen aan Anthonie van Dyck. Mogelijk in Duitsland, maar misschien ook tijdens een verblijf in Den Haag, liet de hertog zich omstreeks 1630 door de Antwerpse schilder portretteren. Het mooie, levensgrote schilderij toont de edelman ten voeten uit, vergezeld van een enorme Deense dog.

Artistieke smaak zat kennelijk in de familie, en Johann Wilhelm bezat, zoals zijn positie vereiste, een mooie kunstcollectie. Maar zijn verzamelwoede en kunstpatronage lijken pas goed op gang te zijn gekomen na zijn (tweede) huwelijk met Anna Maria Luisa de’ Medici (1667-1743), dochter van groothertog Cosimo III van Toscane. Op 19 april 1691 trouwde zij met de handschoen in de kathedraal van haar geboortestad Florence, en vertrok noordwaarts. In Innsbruck voegde de Duitse keurvorst zich bij haar. De Italiaanse prinses, opgegroeid in het befaamde Palazzo Pitti, in een milieu van kunstliefde en verzameldrang, zal haar gemaal wat dit betreft een kompas zijn geweest.

Illustratief voor haar ambities, haar onbekrompen belangstelling voor werken van ook niet-Italiaanse kunstenaars en haar diplomatieke handigheid, zijn haar pogingen om in het bezit te komen van een paar schilderijen van de – in die tijd al vijftig jaar overleden, maar nog steeds hogelijk bewonderde – Antwerpse schilder Pieter Paul Rubens. Vlak na haar huwelijk, nog onderweg van Italië naar Düsseldorf schrijft zij brieven aan haar oom, die kardinaal was bij de pauselijke curie, om toestemming te krijgen een altaarstuk van Rubens in de jezuïetenkerk in het Beierse Neuburg voor haar collectie te verwerven. Het slinkse argument luidt dat de naaktheid van veel figuren in de voorstelling van het Laatste Oordeel minder zou passen boven het altaar van een kerk dan in een particuliere schilderijengalerij. Later zou het keurvorstelijk paar in bezit komen van Rubens’ Tenhemelopneming van Maria, een altaarstuk uit de kerk van Notre Dame de la Chapelle in Brussel. Dat werk, waarnaar uitvoerig materiaaltechnisch en archiefonderzoek is gedaan, neemt een sleutelpositie in de tentoonstelling in.

Johann Wilhelm en Anna Maria Luisa voerden een actief kunstpatronaat. Aan hun paleis in Düsseldorf werd een aparte schilderijengalerij gebouwd die – uitzonderlijk voor die tijd – voor derden toegankelijk was zonder dat de paleisbewoners gestoord werden. De expositie laat iets zien van hun belangstelling voor vooral Nederlandse schilders van hun tijd. De Limburger Jan Frans van Douven maakte als hofschilder nogal stijve portretten van de echtelieden, maar ook de fijnschilder Adriaen van der Werff en de bloemstillevenschilderes Rachel Ruysch kregen van hen een jaartoelage. Anna Maria Luisa de’ Medici zou, na de dood van haar man in 1716, terugkeren naar Italië. Maar in de 26 jaar die ze in Düsseldorf verbleef, had ze de stad gemaakt tot iets dat bekend staat als, en inderdaad in de verte zou kunnen doen denken aan, een ‘Florence aan de Rijn’, door haar introductie van Italiaanse kunstenaars en kunstwerken aan het hof. Van Antonio Bellucci en Domenico Zanetti zijn in de expositie ontwerpen te zien voor grote decoratieve wand- en plafondschilderingen. En met Gian Antonio Pellegrini, de schilder van de monumentale heilige Sebastiaan, was een van de belangrijkste Venetiaanse schilders van de vroege achttiende eeuw in Jan Wellems ‘Dusseldorp’.