Een nieuwe start voor Jaguar

De firma die in 1961 de onwaarschijnlijk elegante en toch sportieve Jaguar E-type lanceerde, begon in 1922 als de Swallow Sidecar Company, zijspanproducent. Via de vervaardiging van goedkope, maar toch vlot gelijnde speciale carrosserieën voor de simpele Austin 7 werd de zijspanproducent steeds meer een echte, zelfstandige autoproducent, die vanaf 1934 als S.S. Cars door het leven ging. Die naam was om begrijpelijke redenen na de oorlog niet langer bruikbaar en zo werd S.S. Cars Jaguar en veranderde de zwaluw in een springende jaguar.

De bloeiperiode van het merk begon in 1948 met een moderne sportwagen, de XK120. Die had een topsnelheid van 193 kilometer per uur en was daarmee de snelste in serie vervaardigde auto ter wereld. Het is wonderlijk dat nu elke turbodiesel uit de bescheiden middenklasse zeker zo snel is. De toen zo verbluffende snelheid was vooral het gevolg van de fraai geconstrueerde nieuwe zescilinder-in-lijn waarmee de XK120 was uitgerust. Die voortreffelijke motor zou nog decennia dienstdoen.

Technologisch bereikte Jaguar de top met de C-Type en de D-Type, speciale competitiemodellen die beide zeer succesvol waren in Le Mans in de jaren vijftig. De C-Type was de eerste auto met betrouwbare schijfremmen en de D-Type was in velerlei opzicht een constructief huzarenstukje, voorzien van een zelfdragende carrosserie, toen een noviteit voor een sportwagen, en geavanceerde aerodynamica.

De D-Type was de peetvader van Jaguars grootste succes, de wonderbaarlijke E-Type, door velen beschouwd als de mooiste sportwagen aller tijden, al ziet hij er een kleine halve eeuw later wat smalletjes en hoog op de bandjes uit. In de jaren vijftig en zestig maakte Jaguar ook zeer succesvolle sportieve personenauto’s, in het bijzonder de Mark II. Vanaf de late jaren zestig raakte Jaguar langzaam in de versukkeling als onderdeel van het British Leyland Concern, al was het maar omdat alle onderdelen van dat concern in de versukkeling raakten.

Na 1988 heeft Ford twintig jaar zonder succes geprobeerd van Jaguar een serieuze concurrent van BMW te maken. Met de aankoop van Jaguar door het Indiase Tata-concern en de lancering van de XF, die in velerlei opzicht een breuk met het verleden markeert, maakt het zieltogende Jaguar een nieuwe start.

Ik vond de XF een aantrekkelijke auto, vooral omdat hij verrassend comfortabel geveerd bleek te zijn, wat zo langzamerhand uitzonderlijk begint te worden bij luxueuze maar sportieve auto’s. Zo wist de Jaguar heel wat beter raad met richels en verkeersdrempels dan bijvoorbeeld de Lexus GS300. De XF heeft een automatische versnellingsbak, maar kan ook met peddels aan het stuur worden geschakeld. Dat peddelen is wel aardig voor een uurtje, maar ik schat dat 99 procent van de bezitters die peddels al snel zullen vergeten.

Met de V6-motor is de Jaguar ruim voldoende gemotoriseerd, de V8 is in de Nederlandse verkeersomstandigheden volkomen overbodig. Dat geldt wat mij betreft ook voor het echte hout in het interieur, dat er verbazend vals uitzag. De beste XF is zonder twijfel de goedkoopste XF.