De stelling van Harry Kuitert: Pas op voor een godsdienstoorlog om het publieke domein

Elk Kamerlid is verplicht ervoor te zorgen dat de overheid geen duimbreed wijkt voor de ene of andere godsdienst, zegt Harry Kuitert tegen Frank Vermeulen.

„Zo niet, dan ligt een oorlog tussen religies op de loer en dat is niet overdreven.”

Door godsdiensten te benoemen als bedreiging voor het publieke domein doet u net alsof het geloof een gevaarlijke ideologie is.

„Maar dat ís geloof ook, of het is dat geweest. Het hangt er ook vanaf welk geloof je neemt. Kijk naar de grote moslimlanden: daar is het geloof nu nog een totalitaire ideologie. Maar ook aan de godsdienstoorlogen in de zeventiende eeuw in Europa kun je zien hoe hoog verschillen over geloof kunnen oplopen.”

Van u moeten gelovigen zich, wanneer zij het publieke domein betreden, losmaken van datgene wat hen definieert: hun geloof. Dat moeten ze als een rugzakje aan de rand van het plein laten staan.

„Ja. Dat is in zekere zin ondoenlijk. Zeker voor mensen die daar niet in geoefend zijn. Ik denk dan in de eerste plaats aan de in Nederland gekomen moslims. Die kennen dat helemaal niet. Het godsdienstige geloof heeft een absoluut karakter. Mijn punt is dat zodra iemand het land wil gaan besturen en dus deelneemt aan de inrichting van de samenleving, hij zijn standpunten dan moet ontdoen van dat absolute dat met het geloof meekomt.”

Twee jaar geleden heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vastgesteld dat het geloof terug is van weggeweest. Dan is het dus terecht dat in een democratie meer rekening wordt gehouden met de religieuze meerderheid.

„Dat moest er nog bijkomen! Die verkenning van de WRR is geen neutraal stuk. Het doet de suggestie om de scheiding tussen kerk en staat nog eens tegen het licht te houden, omdat er zoveel religie is. Maar die aanwas van nieuwe religie bestaat uit spiritualiteit, persoonlijke religiositeit. En dat gegeven gebruikt het rapport in feite om de kerk in dit tijdsgewricht van secularisatie een steuntje in de rug te geven. Het stuk is een wensdroom van een gelovige die wil dat zijn kerk (en die is al zo bazig) weer achter de voordeur vandaan komt. Het ongeloof moet bestreden worden!

„Dat is toch niet de taak van de WRR? Die moet toch niet de regering adviseren om meer aan religie te gaan doen? Wat krijgen we nou? Het is dat ik geen ongelovige ben, anders zou ik ontzettend kwaad worden.”

Toch richt u zich in uw boek vooral tegen moslims.

„Nee, ik houd een pleidooi om een ruimte in ons land over te houden waar noch het ene noch het andere geloof mag heersen. Ik probeer in het boek in de huid van de moslims te kruipen met het gevoel dat ik opgelopen heb in mijn eigen leven. Dat zat opgeborgen in de windselen des geloofs. Langzamerhand heb ik windsel na windsel afgewonden zodat ik uiteindelijk een vrij mens ben.

Ik probeer op dezelfde manier de islam te benaderen. Beleidsadviseurs, zoals WRR-voorzitter Wim van den Donk de ‘overtuigd katholiek’ die schrijver is van dat stuk, weten niet hoe krachtig het absolute gevoel is als je staat in de traditie van God en de Bijbel of van Allah en de Koran. Ja, dan ga je wat praten over cultuur en je gaat wat aan de ramadan doen en je denkt dat het daarmee klaar is.

De overheid moet precies weten dat echt geloof meer is dan een cultuur. Dat elke cultuur een religieuze draagbalk heeft en dat in het geval van de islam die religieuze draagbalk nog tienmaal sterker is dan in het christendom. En wie daar niet mee rekent, slaat de plank mis als het erom gaat hoe je met de Nederlandse moslims moet omgaan. En moslims zelf moeten leren te relativeren.”

Hoe moeten moslims dat leren? In de regering zit een partij die ook niet relativeert in geloofszaken: de ChristenUnie. Is dat het voorbeeld?

„Nee. Als het om het publieke domein gaat, moet de staat geen enkele concessie doen. De ambtenaar moet doen wat de wet hem zegt. Die mag niet weigeren een homohuwelijk te sluiten. Het is helemaal niet verplicht om ambtenaar te worden. Je hoeft niet verplicht de Tweede Kamer in als politicus. Maar áls je dat doet, moet je ervoor zorgen dat de overheid geen duimbreed wijkt voor de ene of de andere godsdienst. Want in feite betekent dat oorlog. War. War between religions. Er komt een godsdienstoorlog als de staat niet oppast.”

Is dat niet wat overdreven?

„Nee, het is bedoeld als een serieuze waarschuwing waarmee ik mijzelf op het spel heb gezet. Voorkomen moet worden dat het oorlog wordt in het publieke domein.

Natuurlijk is het niet onmiddellijk oorlog. Maar het begint met kleine dingetjes. Die hele kwestie van de embryoselectie bijvoorbeeld is een gevolg van het feit dat even een partij nodig was om de meerderheid te vormen: de ChristenUnie. Een partij die op haar strepen staat als het om Gods Woord gaat. Uiteindelijk is dat conflict gladgestreken maar het is symptomatisch.

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat mogen christenen van mij roepen dat ze tegen de euthanasie zijn. Maar dan moeten ze ook een argument hebben. Ja, leven is heilig. Dan moet je óók tegen de doodstraf zijn. Maar dat zijn ze juist niet. En tegen de oorlog, en dat zijn ze ook niet. Leven is helemáál niet heilig. Daar draait het helemaal niet om. Het draait om een religieus argument. Dat wil zeggen: eigenlijk gaat het om een gebod van God. Waarom argumenteren ze zo slecht? Ik vind dat zo jammer.”

Kamerleden Schinkelshoek en Sterk, beiden CDA’ers, schreven onlangs in Trouw dat ‘kerkmensen’ niet hoeven in te binden voor afgedwaalde schapen zoals u. Die neutraliteit van de publieke ruimte is dwang van een seculiere minderheid. Die moet maar eens een toontje lager zingen.

„Ik vind het best dat ze het opschrijven. Maar zodra ze in de Tweede Kamer gaan vertellen dat iets uiteindelijk van het geloof moet, gaat het verkeerd. Ze mogen wel verwijzen naar de religie, maar als dat het enige argument is dan is dat toch een greep van godsdienstig geloof naar de macht in het publieke terrein.

Ik vind dat je op tijd wakker moet zijn en je daar tegen moet keren. Schinkelshoek en Sterk moesten zelf niet willen dat datgene wat God volgens hen wil aan iedereen wordt opgelegd. Stel je voor dat de islam hetzelfde wil. Dan komt er een islamitische Schinkelshoek die vindt dat alle vrouwen een hoofddoek moeten dragen. En dat recht heeft hij dan.”

Christenen hebben het recht om hun overtuiging dat embryoselectie moord is op pril leven naar voren te brengen in het politieke domein. Dat is toch geen dwingelandij?

„Natuurlijk mag God in de Tweede Kamer. Maar: niet als argument. Je mag de samenleving niet dwangmatig inrichten volgens de richtlijnen van je geloof. Argumenten die zijn voorzien van een autoriteit van Boven gelden niet. Probeer je punt te scoren met redeneringen die voor iedereen te volgen zijn. En niet met behulp van een beroep op Allah of God, want mensen die niet geloven kunnen daar niets mee. Ik vind dat er hoogmoed schuilt in het bedrijven van christelijke politiek.”

Maar christen-politici hameren juist op bescheidenheid en nederigheid.

(lacht) „Maar ze zijn het helemaal niet. Streng gelovige politici gaan uit van de vanzelfsprekendheid dat er maar één werkelijkheid is. En dat is de werkelijkheid zoals het geloof die voorspiegelt. Dat geldt zowel voor het christendom als voor de islam. Daarom is er zo’n gedonder met de wetenschap. Tot op de dag van vandaag wordt bijvoorbeeld de evolutietheorie betwist door christenen. Want zonder de trits schepping, zondeval, verlossing als historisch gegeven zakt de hele leer in elkaar. Nee, het geloof is niet bescheiden, het kan niet relativeren, geen enkel geloof of grote godsdienst kan dat.”

Iedere burger heeft het recht kinderen op te voeden volgens het eigen wereldbeeld.

„Als men bepaalde scholen zou willen stichten waar geleerd wordt dat de aarde in zes dagen is geschapen of volgens de moslimvisie – van mij mogen ze. Ik zou het wel altijd afraden. Iemand die naar zulke scholen gaat komt niet zo heel erg ver in het leven. Want wie de stand van de cultuur en de kennis van de tijd waarin hij leeft veracht of daar niet mee rekent, die kan zich niet ontplooien in de samenleving.”

U waarschuwt voor oorlog om het publieke domein. Ben u dan ook voor het beëindigen van staatssubsidie voor het bijzonder onderwijs?

„Nee, ik ben geen scherpslijper en geen voorstander van dit soort drastische dingen. Omdat ik denk dat veel wat in de loop der tijd gegroeid is, gecontinueerd kan worden mits de goede politieke wil aanwezig is om met het geloof niet te willen heersen over andere mensen.

Opnieuw is de ongelovige dan de klos. Want religies putten moed uit elkaars bestaan om naar de macht te grijpen.

Ik wil een zekere alertheid dat mensen, moslims én christenen, zien dat je moet oppassen. Dat we beseffen dat het seculiere publieke domein niet een soort woeste poging is om het geloof om zeep te helpen. Dat is het juist niet. Dankzij het publieke domein kan een ieder vrij zijn geloof aanhangen. Het is een bufferzone. Die moeten we niet kwijtraken.”