DE ROK VAN MARIA

Het jaar 2008 is het jaar van het Religieus Erfgoed. Fotograaf Luuk Kramer maakte een reis langs Nederlandse koepelkerken en één synagoge met een koepel. ‘Alle koepels zijn mooi.’

‘God, come in God, God come in God.’ Zo begint André 3000 van het rapduo Outkast het nummer ‘God’ op het album The Love Below uit 2002. In dit mooiste gebed uit de popmuziek krijgt André 3000 al gauw contact met God. ‘Damn, you’re a girl!’ roept hij verrast uit. Als hij is bekomen van de schrik, legt hij Haar uit dat hij een cool guy is die door dik en dun trouw is. Nou ja, op die ene keer in Japan na dan, maar dat was pijpen en dus geen seks. Als hij merkt dat God dit ook vindt – ‘Ah, God, ik wist dat U me zou begrijpen’ – doet hij zijn verzoek. André 3000 wil van God een sweet bitch. Ze hoeft geen supervrouw te zijn, nee, gewoon iemand die hem terzijde staat. Ze hoeft zelfs geen fantastische kont te hebben. Een achterste dat goed in verhouding is met haar lichaam volstaat. Een mooie kleine staart, meer niet.

André’s gebed wordt onmiddellijk verhoord. ‘Wat? U zegt... u zegt dat u iemand hebt gevonden? Is ze leuk? Wanneer kan ik haar ontmoeten? Aww, God, U bent de grootste. Nou, ik spreek U later nog wel. Amen. O, sorry, sorry: Alady.’

De rapper ontdekte iets dat katholieken al lang weten: God is een vrouw. Volgens katholieken heeft God een moeder, de maagd Maria, en dus moet zij wel de oergod zijn. Veel katholieken richten hun gebeden dan ook tot Haar. Maria is de onbevlekt ontvangen moeder van god die haar aanbidders eerder hun zin geeft dan haar strenge zoon of diens vader of de heilige geest.

Dat God een vrouw is, verklaart waarom zo veel katholieke kerken een koepel hebben. Je hoeft geen Freudiaan te zijn, om in een koepel eerst en vooral een rok te zien. Een koepel geeft een gevoel van geborgenheid: zo moet het, in de tijd dat vrouwen nog geen broeken droegen, geweest zijn onder moeders rok. Een blik omhoog in een koepel is dan ook als het kijken onder een rok. Meestal zijn koepels slecht verlicht, en niet zelden zijn ze voorzien van een lantaarn met ramen waardoor het middelpunt van een koepel oplicht, als de stralende oorsprong van de wereld, de vrouwelijke opening waar we allemaal vandaan komen.

Niet alleen katholieken houden van koepels, ook orthodoxe christenen. Oude Griekse kerken zijn bijvoorbeeld bijna standaard met een koepel uitgerust, en wie aan Russische kerken denkt, ziet gebouwen met uienkoepels. Mariaverering speelt dan ook in alle christelijk-orthodoxe geloven een grote rol.

Moslims, die nog meer dan katholieken en orthodoxe christenen worden geobsedeerd door maagden, zijn zelfs verzot op koepels. Ontelbare moskeeën, van de gouden rotskoepel in Jeruzalem uit 692 tot de recent gebouwde islamitische gebedshuizen in Nederland, hebben een koepel. Koepel en moskee zijn zelfs zo met elkaar verbonden dat het moeilijk is om er een zonder te bouwen.

Dit ondervond bijvoorbeeld de Nederlandse architect Furkan Köse bij zijn ontwerp voor een Turks Cultureel Centrum in Doetinchem. Met een mooie, hoekige, koepelloze doos won hij vorig jaar de prijsvraag voor dit gebouw met een islamitische gebedsruimte, maar hij moest er later onder druk van de gebruikers een halfronde bol opzetten.

Maagdelijkheid

Religies waarin maagdelijkheid een ondergeschikte rol speelt, hebben veel minder koepelgebouwen opgeleverd. Het voornamelijk hindoeïstische India heeft bijvoorbeeld wel koepels, maar die zijn bijna allemaal gebouwd door vroegere islamitische heersers. Zo is het beroemdste koepelgebouw van India, de Taj Mahal, een mausoleum dat grootmogol Shah Jahan in 1631 voor zijn in het kraambed overleden vrouw liet bouwen.

Toch zijn niet alle koepels katholiek, christelijk orthodox of islamitisch. De beroemdste uitzondering is natuurlijk het Pantheon in Rome, het gebouw dat keizer Hadrianus in de eerste eeuw na Christus vermoedelijk naar eigen ontwerp liet bouwen, voor alle goden. De volmaakte halve bol van de koepel van het Pantheon, die met een doorsnee van 43 meter tot de twintigste eeuw de grootste ter wereld zou blijven, is de koepel aller koepels.

Al is het Pantheon zeker niet het eerste koepelgebouw is. De koningsgraven in Mycene, uit ongeveer 1325 voor Christus, zijn bijvoorbeeld al een soort koepel. Verschillende architectuurhistorici denken zelfs dat de eerste behuizingen die de mens voor zichzelf bouwde, bestonden uit koepels van gebogen takken, ongeveer zoals de yurten van Centraal-Aziatische volkeren. Zoals Maria de oergodin is in de katholieke kerk, zo is de koepel de oervorm van de architectuur.

De oervorm van de architectuur laat zich best ervaren als je er recht onder staat en naar boven kijkt. Dan komen de perfecte vormen, zonder perspectivische vertekeningen, tot hun recht. Het wonder van de koepel is dat elke koepel, rijk gedecoreerd of juist streng en kaal, van onder gezien schitterend is, net zoals elk landschap vanuit een vliegtuig gezien mooi is. Nadeel is alleen dat veel koepels in het halfduister zijn gehuld en je details niet kunt zien.

Fotografie biedt hier uitkomst: met een lange belichtingstijd kan een fotograaf de in duisternis gehulde koepels helder laten oplichten, zodat versieringen en schilderingen beter zijn te zien. Bovendien kan de fotograaf met een uitgekiende uitsnede alles wat van de koepel afleidt weglaten, en alle aandacht van de kijker richten op de perfecte rondingen van de koepels.

Zoals het een oervorm betaamt, roept de koepel verschillende associaties op. Het vaakst hoor je beweren dat koepels in kerken en moskeeën de hemel verbeelden. Maar een koepel kan ook een uitdrukking van macht zijn, zoals in de gevangenissen van Haarlem en Breda. Bij anderen roept de koepel gevoelens van saamhorigheid op. Er zijn zelfs mensen die beweren dat koepels een symbool zijn van democratische gezindheid. Dit zou verklaren waarom het Capitool in Washington en bijna alle de capitoolgebouwen van de vijftig Amerikaanse staten een koepel hebben.

In Nederland hebben het parlementsgebouw en de provinciehuizen geen koepels. Op het eerste gezicht is Nederland ook geen koepelland. Neem de skyline van Rome in gedachten, en je krijgt koepels voor ogen, van het Pantheon, van de Sint-Pieter en van al die kerken uit de baroktijd, de glorietijd van de koepelbouw. Maar als ik uit mijn raam over het centrum van Amsterdam uitkijk, zie ik vooral torens en slechts twee koepels: die van het Sonesta-hotel, de vroegere Lutherse kerk, en die van de katholieke Sint-Nicolaaskerk.

De verklaring voor het gebrek aan koepels in Nederland ligt voor de hand: Nederland is een calvinistisch land. En calvinisten houden nu eenmaal niet van de maagd Maria. Voor hen vormen de vader, de zoon en de heilige geest de enige echte God en speelt Maria een onaanzienlijke bijrol.

Toch is de koepelkerk in theorie juist heel geschikt als protestants godshuis. Aan Heilige Missen met veel hocus pocus op het altaar dat voor in de kerk staat, doen protestanten niet. Het Woord Gods, zoals neergelegd in het Oude en Nieuwe Testament, staat centraal in de protestantse diensten. Toch hebben sommige architecten van protestantse kerken de verleiding niet kunnen weerstaan om een koepelkerk te bouwen, zoals Jacob van Campen met de vermoedelijk door hem ontworpen Hervormde Kerk uit 1641 in Renswoude. Want als de preekstoel precies in het midden van de kerk onder een koepel staat gaat het Woord heerlijk galmen.

Hiërarchie

Dat in het calvinistische Nederland toch verrassend veel koepelkerken staan, komt uiteraard door de katholieken. Want ook in Nederland is de Rooms Katholieke Kerk door de eeuwen heen en tot op de dag van vandaag het christelijke genootschap met de grootste aanhang gebleven. En al mochten katholieken in Nederland lange tijd geen eigen kerken bouwen, op het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 volgde een ware explosie van katholieke kerkenbouw.

In de tweede helft van de negentiende eeuw verschenen zo’n 900 nieuwe katholieke kerken in Nederland. Vaak hadden ze, tot ergernis van de protestanten, kolossale afmetingen, en vaak kregen ze ook een koepel. Pas na de Tweede Wereldoorlog verdween de koepel uit de Nederlandse kerkarchitectuur. Niet alleen werden er toen steeds minder katholieke kerken gebouwd, maar ook hielden moderne architecten niet van koepels, vermoedelijk omdat ze die associeerden met traditionele architectuur.

Nederlandse koepels bestaan in alle soorten, maten en stijlen. Ze variëren van verkleinde kopieën van de koepel van de Sint-Pieter, zoals de Agatha en Barbarakerk van Pierre Cuypers uit 1892 in Oudenbosch, tot dappere constructies, zoals de betonnen koepel van de Cenakelkerk van Jan Stuyt in Groesbeek uit 1915.

Maar ondanks de grote variatie bestaat er zoiets als de Nederlandse koepel. Opvallend vaak zijn de koepels van de 19de- en 20ste-eeuwse katholieke Nederlandse kerken gemaakt van baksteen, zoals de ‘neobyzantijnse’ Sint-Jan uit 1925 van H.W. Valk in Waalwijk. Ze zijn niet alleen Nederlands, omdat ze zijn gemaakt van baksteen, het traditionele Nederlandse bouwmateriaal, maar ook omdat ze vrijwel geen versieringen hebben en niet zijn beschilderd. Hierdoor sluiten ze aan op de lange Nederlandse architectuurtraditie van soberheid, die bijna altijd in verband wordt gebracht met het calvinisme. Zo heeft de Nederlandse katholieke koepel een calvinistisch karakter gekregen: in Nederland is de rok van Maria van eenvoudige bakstenen.

Bernard Hulsman is redacteur van NRC Handelsblad en schrijft over architectuur en popmuziek