ABU DHABI, STAD ALS MODERN THEMAPARK

Een eigen Louvre, een eigen Guggenheimmuseum: de grootscheepse culturele ambities van de rijke, moderne Arabische woestijnstad lokten Ian Buruma naar Abu Dhabi. Reisverslag van de Brits-Nederlandse schrijver en journalist, die op 7 november in Rotterdam de Erasmusprijs krijgt.

Op het eerste gezicht onderscheidt het uit beton, staal en glas opgetrokken stadsbeeld van Abu Dhabi zich amper van de binnensteden van Singapore of Cincinnati: nieuw, luxueus, clean, modern, non-descript en een beetje doods. Niets herinnert de bezoeker eraan dat hij zich in het Midden-Oosten bevindt – op de vele moskeeën na.

Wijlen sjeik Zayed Bin Sultan Al-Nahayan heeft beschikt dat geen van zijn onderdanen meer dan een kilometer zou hoeven te lopen naar de dichtstbijzijnde moskee. En dus staan er overal moskeeën: weggestopt tussen de banken, in de schaduw van kantoorgebouwen, achter winkelcentra of vlak voor luxehotels. Sommige zijn verbluffend postmodern vormgegeven, met veel goudgetint glas. Zelfs langs de snelwegen is volop gelegenheid om de religieuze plichten te vervullen: achter ieder benzinestation staat een betonnen gebedshal.

De enigszins steriele sfeer van Abu Dhabi werd tijdens mijn verblijf aldaar nog versterkt doordat het ramadan was, de periode waarin de moslims vasten van zonsopgang tot zonsondergang. Niet-moslims hoeven niet te vasten, zolang zij hun lunch maar uit het zicht van de gelovigen nuttigen. In de hotels worden maaltijden geserveerd, maar alleen in restaurants die van buibuiten af niemand kan zien. Alle winkels zijn dicht tot zonsondergang. Niet-gelovigen kunnen alcohol gebruiken, mits discreet, in de bars van de hotels.

De vasten maakt mensen weleens wat prikkelbaar. Laat in de middag reed ik in een taxi over de snelweg naar Dubai. Ik deelde het voertuig met een Afghaanse arts uit Kabul, die ook in Dubai wezen moest. De chauffeur was, zoals de meeste taxichauffeurs in de regio, een Pakistaan. De auto rook naar onfrisse adem, en ik meende duidelijk magen te horen knorren. De chauffeur bleef maar aan de radio frunniken, steeds weer aan en uit, alsof hij maar niet kon besluiten of hij nu iets wilde horen of niet. De arts vroeg wat ik van de Talibaan vond. Ik mompelde iets vrijblijvends. Je kunt nooit weten in het Midden-Oosten.

‘Slechte mensen, slechte, slechte mensen’, zei de dokter tot mijn grote opluchting. Ineens, nadat de chauffeur voor de zoveelste maal de radio had aangezet, hoorden wij gebedsklanken. De zon was onder. De chauffeur kreeg een lachje op zijn gezicht. De arts ontspande zich. Een papieren zak koude gebraden kip en slappe patat ging van hand tot hand en was in een oogwenk leeg.

Langs de weg viel weinig anders te zien dan woestijn en af en toe een benzinepomp. We passeerden de afslag naar de internationale luchthaven van Dubai. Niet ver van daar zal, als alles goed gaat, in 2016 in de woestijn een splinternieuwe ommuurde stad, Masdar City, zijn verrezen, met vijftigduizend inwoners. De stad, die wordt ontworpen door de Britse firma Foster & Partners, gaat ongeveer 22 miljard dollar (16 miljard euro) kosten. Op websites die het project aanprijzen ziet de stad er van bovenaf uit als een microchip, maar meer gedetailleerde plattegronden tonen een futuristische Arabische stad met een dicht netwerk van lage, gedrongen huizen, kantoorgebouwen, winkelcentra, blinkende pleinen en witte, eivormige transportcocons die voortsnellen over smalle rails.

Hoog boven de gloednieuwe miniatuurmetropool zal zich de grootste waterstofcentrale ter wereld verheffen. Volgens de regering van Abu Dhabi is haar 15 miljard dollar (11 miljard euro) kostende vijfjarenplan om schone energietechnologieën te ontwikkelen ‘het meest ambitieuze duurzaamheidsproject dat ooit door een regering is gelanceerd’. Een zachte, wat metalige stem op de website van het Masdar-project meldt dat ‘ooit alle steden zo zullen worden gebouwd’.

Kamelen

Het begon allemaal op een warme zomerdag in 1966, toen John Elliott, een jonge stedebouwkundige, in een Londense kroeg in gesprek raakte met een hem onbekene man. Die zei tegen Elliott dat zeer binnenkort een zanderig sjeikdommetje aan de Perzische Golf genaamd Abu Dhabi een geweldige groeispurt zou doormaken. De Iraniërs hadden hun olieraffinaderijen net genationaliseerd, en in Abu Dhabi lag hoogwaardige olie op exploitatie te wachten; een onlangs aan de macht gekomen sjeik zou graag met de Britten samenwerken. Als Elliott niets beters omhanden had, zei de man, moest hij daar maar snel eens op af.

Niet lang na dat gesprek, dat grote gevolgen zou hebben, kreeg Elliott – een betrekkelijke nieuwkomer, die het een en ander had gedaan in Finland – het verzoek om een overkoepelend plan te ontwerpen voor Abu Dhabi, zoals zowel het emiraat als de stad heette. Sjeik Zayed, een naar verluidt beminde vorst met een voorliefde voor de valkenjacht, moedigde Elliott aan om een moderne stad te bouwen op een plaats waar niets te bespeuren viel dan zand en een paar lemen hutten rond een bescheiden fort.

De meeste mensen, de sjeik incluis, waren er analfabeet. De voornaamste bedrijfstak was kamelen hoeden. Drinkwater moest per tanker worden aangevoerd. Elektriciteit was er nauwelijks. Maar de sjeik wist wat hij wilde: staatswoningen om een einde te maken aan de zwerftochten van zijn bedoeïenen door de woestijn, en groene parken, omdat hij van Engeland hield. Sjeik Zayed tekende altijd met een stok in het zand om zijn plannen toe te lichten.

In 1970 is Elliott weer uit Abu Dhabi vertrokken. Een jaar later kwamen de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) tot stand – een federatie bestaande uit Dubai, Ajman, Fujairah, Ras al-Khaimah, Sharjah, Umm al-Quwain en Abu Dhabi zelf. Sjeik Zayed werd de eerste president. Dubai is nu een van de rijkste oorden op aarde – een soort Arabisch Houston, met hier en daar stukken Las Vegas en Miami Beach. ‘Donald Trump op lsd’, heeft iemand het genoemd. Dit jaar zal de hoogste wolkenkrabber ter wereld er worden voltooid.

De stad Abu Dhabi, de hoofdstad van de VAE, nu een aaneenschakeling van statige hotels, machtige banken, weelderige ziekenhuizen en uitgestrekte winkelcentra, is minder flamboyant dan Dubai, maar door zijn reusachtige hoeveelheden olie – 10 procent van de wereldreserves – nog rijker. Ongeveer 80 procent van de circa twee miljoen inwoners van Abu Dhabi zijn expats, tegen 85 procent in Dubai: Palestijnse zakenlui, Britse bankiers, Saoedische investeerders, Libanese kooplui, Pakistaanse taxichauffeurs, Indiase bouwvakkers, Filippijnse kelners en dienstmeisjes, en anderen uit heel de wereld. De afspraak is simpel: geld mogen ze hier verdienen, maar burgerrechten krijgen ze niet. Die zijn weggelegd voor de overige 20 procent, de afstammelingen van de bedoeïenen, die de meeste rijkdom bezitten, en de grond op de koop toe.

Witte bruidstaart

Sjeik Zayed, de man die dit alles in gang heeft gezet, is in 2004 overleden. Zijn zoon, sjeik Khalifa Bin Zayed Al-Nahayan – naar verluidt net zo beminnelijk als zijn vader – heeft toen de macht overgenomen. Maar de beeltenis van sjeik Zayed is nog overal te zien – op billboards, winkelpuien en snelwegviaducten, aan hotelwanden en in moskeeën.

Toen wij over de snelweg uit Dubai de stad naderden, kwamen wij langs zijn graf – een enorme witte bruidstaart van een moskee, nog in aanbouw. Voor de moskee stond een reusachtig portret van de overleden sjeik. ‘De grootste moskee van de wereld’, zei mijn taxichauffeur, die net als de meeste van zijn collega’s in Dubai en Abu Dhabi afkomstig was uit de roerige noordwestelijke grensstreek van Pakistan.

Terwijl ik de enigszins scheve glimlach van de sjeik bestudeerde, vroeg ik de chauffeur hoe het leven voor hem was in de Golf. ‘Erg duur’, zei hij. Hij deelde een kamer met nog zes man. Gedwongen celibaat, dat is de prijs die zij betalen om in de VAE hun brood te mogen verdienen. Gezinshereniging is niet toegestaan. Ja, zei hij, het was zwaar, erg zwaar, maar het leven in Pakistan was nog erger. ‘Al-Qaeda!’, riep hij uit, en sloeg met zijn vuist op het dashboard. ‘Afschuwelijk! Vechten, vechten, vechten. Moorden, moorden, moorden. Erg slechte mensen. Kan ’s nachts niet slapen, kanonnen, bommen, altijd moorden.’

Er wordt niet veel gemoord in Abu Dhabi niet gepleegd, en dat is voor mensen uit plaatsen als Peshawar al heel wat. ‘De mensen in AD’, verzekerde mijn chauffeur me, waren ‘echt van hier. Heel goeie mensen.’ De Saoediërs, díe mocht hij niet. ‘Heel slecht’, riep hij uit, terwijl hij nogmaals op het dashboard beukte. ‘Saoediërs heel slecht.’

Dergelijke uitspraken hoorde ik wel meer in Abu Dhabi. Het barst van de onderlinge vooroordelen in deze smeltkroes van het Midden-Oosten, waarin eigenlijk maar weinig lijkt te smelten, terwijl toch iedereen het met elkaar lijkt te rooien, zolang er maar geld te verdienen valt. En lukt dat niet, dan worden ze in een wip het land uit gezet, zoals de Pakistanen overkwam die bij wijze van vergelding voor de gedeeltelijke vernieling van een moskee in India door chauvinistische hindoes in 1992, bezittingen van Indiërs in Abu Dhabi hadden aangevallen.

Dat verhaal hoorde ik van een Pakistaanse bankier die al bijna tien jaar in Abu Dhabi woonde en van plan was er te blijven. Hij sprak met de afgemeten tongval die je overhoudt aan een dure Britse privéschool. Wij dronken een glas koele witte wijn in de bar van het hotel. Hij had in Abu Dhabi goed geboerd. Hij had wel geprobeerd in Pakistan te leven, maar dat was geen doen: te veel geweld, chaos en corruptie. In de Golf had hij vrede en welvaart gevonden. Ik vroeg hem naar de politiek. ‘Hoezo politiek? Geen politiek. Volgens mij is een regering nergens voor nodig. Het zakenleven bestiert de boel. Zo gaat het hier.’

Dat is niet helemaal waar. Er gebeurt iets wanneer sjeik Khalifa besluit dat er iets gebeuren moet. En het zakenleven is niet altijd even weldadig. ‘Oké’, zei mijn vriend. ‘Soms krijgen de arbeiders hier drie, vier, vijf, zes maanden lang niet betaald. Als ze moeilijk doen, kunnen ze het land uit worden gezet.’ De grofste uitbuiters van de arbeiders, vervolgde hij, waren de Arabische ondernemers, vooral de Libanezen. Waarom de Libanezen? Hij lachte. ‘Die zijn gewoon slecht.’

Sprookjesverschijning

In Dubai kunnen buitenlanders grond en vastgoed kopen, maar Abu Dhabi is van de sjeik. Hij deelt naar eigen goeddunken stukken grond uit aan verwanten en andere leden van de plaatselijke elite, die stilletjes in ommuurde complexen wonen en niet de praalzucht vertonen die kenmerkend is voor Dubai. Daar voelen ze zich enigszins boven verheven. Daarom ademt het enige opvallende bouwwerk in Abu Dhabi dat in pracht niet voor Dubai onderdoet ook een uitgesproken lokale sfeer. Het is een immens luxehotel, het Emirates Palace.

Ik zag het de eerste keer, vanuit een taxi, als een verbijsterende Moorse sprookjesverschijning opdoemen uit de nazomernevels. De toegangspoort is groter dan een normaal huis, en de rijkversierde koepel hoger dan die van de Sint-Pieter in Rome. We passeerden een reusachtig geschilderd portret van wijlen de sjeik, identiek aan dat voor zijn mausoleum, met dezelfde scheve glimlach. ‘Geschilderd door een Pakistaanse kunstenaar’, zei mijn chauffeur, met iets van trots.

De ingangshal, zo groot als een sportveld, heeft een vloer van Italiaans marmer. Kroonluchters van Russisch kristal – duizend stuks – hangen trapsgewijs, als logge stalactieten, aan de gouden plafonds. De wanden zijn bekleed met Chinese zijde en bladgoud. Een rijkelijk vergulde concertzaal biedt plaats aan meer dan tweeduizend mensen.

Hotelsuites, elk met een eigen butler, bieden eetgelegenheid aan minstens twaalf personen en hebben slaapkamers als balzalen. Dit is geen hotel meer, dit is een seculiere kathedraal. Het is een bouwsel van een zo ontstellende vulgariteit dat je het alleen maar in stomme verwondering kunt aanzien.

Halverwege het marmeren sportveld word ik verwelkomd door de Oostenrijkse persvoorlichtster Sandra. Zij zegt dat sommige mensen zich hier ‘een tikkeltje overdonderd’ voelen, maar dat ‘het Palace’ zich ‘positioneert’ om ‘een echt plaatselijk instituut’ te worden, waar de bevolking van Abu Dhabi ook van kan genieten. Ze noemt Formule 1-races, golfbanen, de musical Chicago met de complete Broadway-cast, en Verdi’s Aida, die op het terrein van het Palace zullen worden opgevoerd. De Formule 1-races zullen in werkelijkheid worden gehouden op het eilandje Yas, dat 250 kilometer verderop ligt. Bij die racebaan komt een Ferrari-themapark.

Mijn gids Mohammed was een aardige Marokkaan die in Europa de hotelschool had doorlopen. We namen de lift naar de vijfde verdieping. ‘Brad Pitt was hier vorige week’, zei Mohammed, terwijl wij geruisloos over de prachtige Perzische vloerbedekking liepen, die aanvoelde als warm mos. Ik nam een kijkje in de badkamers, waar je een groot feest zou kunnen geven, in de slaapkamers met hun reusachtige hemelbedden, marmeren vloeren en vergulde plafonds, en in de eetzalen, salons, zitkamers en werkkamers – stuk voor stuk ingericht met wat in brochure van het hotel heet ‘koninklijke Arabische pracht’. In elk van die suites zouden verscheidene gezinnen gemakkelijk stijlvol en gerieflijk kunnen wonen.

Ik zei tegen Mohammed dat ik nog het meest onder de indruk was van de afmetingen van de vertrekken. ‘O’, was zijn reactie, ‘maar u heeft nog niets gezien. De suites op de zevende verdieping zijn ongeveer driemaal zo groot als deze.’ Het gerucht wilde dat sommige suites een eigen balzaal hadden. Nou, zei ik, laten we dan maar eens gaan kijken.

Mohammed keek me hevig geschrokken aan, alsof ik een vreselijk faux pas had begaan. Dat is volkomen uitgesloten, zei hij. Zelfs hoge medewerkers die al jaren in het Palace werkten, hadden de zevende verdieping nooit mogen betreden. Hem, Mohammed, was dat buitengewone privilege zéker niet te beurt gevallen. Waarom dan, vroeg ik. ‘Die zijn uitsluitend bestemd voor Arabische koninklijke families’, legde hij uit. Zelfs Tony Blair was op de vijfde verdieping ondergebracht. Maar, fluisterde hij, er was één uitzondering op de regel. Ik popelde. ‘Vladimir Poetin, díe heeft op de zevende verdieping gelogeerd.’

Ofschoon ik met veel genoegen de suites had bezichtigd, was dat toch niet de voornaamste reden waarom ik het hotel bezocht. Ik was gekomen voor een tentoonstelling van bouwplannen die van Abu Dhabi een ‘culturele spil van de wereld’ moesten maken. Het onbewoonde eiland Saadiyat – ongeveer half zo groot als Bermuda – zal, in de woorden van sjeik Mohammed Bin Zayed, een broer van de huidige vorst, worden getransformeerd tot ‘een cultuurgoed van mondiale betekenis’.

Dat cultuurgoed zou dan ‘de visie van Zijne Hoogheid sjeik Khalifa Bin Zayed’ tentoonspreiden. Vier van ’s werelds beroemdste architecten – Frank Gehry, Jean Nouvel, Tadao Ando en Zaha Hadid – hebben opdracht gekregen om de visie van de sjeik gestalte te geven. Gehry bouwt het Guggenheim Abu Dhabi, het grootste van de wereld. Nouvel gaat over het Louvre Abu Dhabi, waarin kunstwerken uit Franse overheidscollecties zullen worden ondergebracht. Hadid heeft een centrum voor de uitvoerende kunsten ontworpen dat groter wordt dan de Royal Albert Hall in Londen. Het minst grandioze plan is dat van Ando voor een scheepvaartmuseum in de vorm van een traditioneel Arabisch schip uit de Golf. Er zijn ook plannen voor een rijksmuseum ‘Sjeik Zayed’, maar daarvoor is nog geen architect gekozen. Naast deze grootse projecten zijn er plannen voor twee golfbanen, 29 hotels, drie jachthavens en een massa flats.

Omdat het eiland nog niet toegankelijk is, heb ik de maquettes van alle kanten bekeken: Hadids ruimteschip, Gehry’s met de computer samengestelde mengelmoes van gebouwen, het schip van Ando, en Nouvels buitengewone, fraaie, Moors aandoende koepel. Ik werd voorgesteld aan een zeer goed onderlegde jonge vrouw die voor deze ultramodernistische onderneming werkte. Zij was kennelijk inheems: ze was van hoofd tot voeten in een chique zwarte boerka gestoken. Onberispelijk Engels sprekend gleed zij van het ene ontwerp naar het andere. Toen het moment was gekomen om haar te bedanken en afscheid te nemen, stak ik haar mijn hand toe. Ze deinsde terug. We keken elkaar aan – ik was verlegen met mijn hand, totdat ze mij haar bedekte elleboog toestak, die ik mocht drukken.

Beschavingsmissies

Aanvankelijk was ik geneigd de plannen voor Saadiyat af te doen als bespottelijk, een loepzuiver voorbeeld van nieuw geld dat zich een vals cultureel cachet aanschaft, zoals Prada of Gucci. Maar na een etentje met Rem Koolhaas – nog een sterarchitect met plannen voor de VAE – moest ik mijn vooroordelen bijstellen. ‘Nu het culturele initiatief, na alle beschavingsmissies van het westerse imperialisme, van buiten het Westen komt, snieren de westerlingen. Maar het eiland is heus zinnig. Het toerisme wurgt de wereld. Als alle nieuw-rijke Aziaten het Louvre in Parijs zouden bezoeken, krijg je een onhoudbare toestand. We moeten manieren bedenken om de mensen hier te houden.’

9/11 heeft dat iets eenvoudiger gemaakt. Vóór die aanslag gingen rijke Arabieren op vakantie in Europa en de VS. Maar erna werd reizen op een paspoort uit het Midden-Oosten een bezoeking – volgens mijn vriend, de Pakistaanse bankier, ‘dachten de mensen ‘verdomme, zo hoeft het voor mij niet’. Het idee is dus om Saoediërs, Jordaniërs, Libanezen en anderen uit het Midden-Oosten over te halen om hier op vakantie te gaan.’

Rem raadde me aan om een vriend van hem in Abu Dhabi te gaan opzoeken, Mohammed Abdul Latif Kanoo, een zakenman en tevens een vooraanstaand modern kunstenaar. Toevallig had Kanoo net een tentoonstelling van zijn werk in galerie Ghaf, de eerste galerie voor moderne kunst in Abu Dhabi, waarvan hij mede-eigenaar is.

De vernissage in de charmante villa van drie verdiepingen was een sociaal gebeuren van belang. Elegant geklede diplomaten uit Europa en Japan converseerden met Arabische bankiers en zakenlui – sommigen in dishdasha’s, anderen in pak. Enkele vrouwen droegen boerka’s, anderen liepen in designerjeans en op hoge hakken. Op zilveren dienbladen werd vruchtensap geserveerd.

Kanoo, in dishdasha, nam me bij de arm mee naar een paar van zijn schilderijen, die tegen bloedrode wanden hingen. ‘Heel conceptueel’, zei hij, terwijl hij me een paar modern gekalligrafeerde Koran-teksten toonde. Daarna liet hij me een wand vol zeefdrukportretten zien, precies in de stijl van Andy Warhol. Maar het ging niet om Marilyn Monroe of Mick Jagger – Kanoo’s meest bewonderde portret is dat van sjeik Zayed, die volgens een tijdschriftartikel ‘een voortdurende bron van inspiratie voor zijn werk’ is.

Later hadden we een gesprek in zijn kantoor. Het Kanoo-consortium is een van de grootste ondernemingen in de Golf; de zaken variëren van transportbedrijven tot de leverantie van olieboringsmaterieel. Aan de wanden van het kantoor hingen een paar schilderijen van Mohammed Kanoo zelf, maar het merendeel van de decoratie werd gevormd door zijn verzamelingen kitsch van de Chinese Culturele Revolutie en speelgoedauto’s. Kanoo, die aan de Universiteit van Texas economie en politicologie heeft gestudeerd, spreekt vloeiend Engels.

Ik vroeg hem naar het eiland Saadiyat en de ‘positionering’ van Abu Dhabi als mondiaal cultureel centrum. Hij keek mij aan door zijn randloze montuur en stak van wal over wijlen sjeik Zayed, die hij prees als de man die vrede gebracht had in de Golf. Doelend op spanningen tussen de stammen in de oude emiraten merkte hij op dat ‘vijftig jaar geleden mensen elkaar hier nog afmaakten’.

Maar wijlen de sjeik werd omringd door tamelijk ouderwetse Arabische modernisten, en de zaak was gestagneerd. ‘Moet je al die afschuwelijke clichégebouwen om ons heen eens zien’, zei hij, met een breed gebaar naar het raam. Ik keek uit over de lege, door bankgebouwen omzoomde boulevard. Er waren frisse ideeën nodig, en die werden gestimuleerd door Khalifa, de zoon van de overleden sjeik. ‘Onderwijs’, zei Mohammed, ‘is de sleutel tot alles. Saadiyat is het interessantste intellectuele project van het Midden-Oosten. Inhoudelijk zijn er geen beperkingen, al zullen we met bepaalde gevoeligheden nog wat te stellen krijgen...’

‘Zoals?’ vroeg ik.

‘Beeldhouwwerken kunnen een probleem zijn. De mensen zijn nog niet helemaal gerust op naakten. Maar dat is allemaal een kwestie van onderwijs. Dat is het verschil tussen ons en de Talibaan – ik gebruik die term in brede zin. Wij geven onderwijs om de verdraagzaamheid te bevorderen. Nergens in de Koran staat dat je geen mensen mag afbeelden.’

Het minste wat voor Kanoo’s optimistische standpunt te zeggen valt is dat schilderijen uit het Louvre of moderne kunst uit het Guggenheim stichtelijker zijn dan de meer gebruikelijke tekenen van nieuwe rijkdom, zoals Ferrari-showrooms of winkels van Gucci. Wie weet zal het inderdaad aan een transformatie bijdragen: liberalisering door middel van beelden van Rodin en schilderijen van Andy Warhol.

Later, per e-mail, toonde Kanoo zich niet zo ingenomen met het idee van Masdar City. Hij dacht dat het ‘maar heel weinig zou betekenen in de zin dat de plaatselijke bevolking zich er zou vestigen of er iets aan zou bijdragen’. Er zouden ‘hoofdzakelijk wetenschappers en onderzoekers’ hun intrek nemen. De stad ligt ten slotte ‘vlak naast de vergrote internationale luchthaven (ironisch, niet?)’.

Revolutionaire gevoelens

Maar ongeacht de merites van de toekomstige ommuurde stad, het feit dat in de Golf het kapitalisme, de westerse cultuur en de religieuze orthodoxie tot één geheel gesmeed worden zóu, voorlopig althans, een oplossing kunnen bieden voor de spanningen tussen de islamitische wereld en het Westen. Anderzijds zouden de buitensporige rijkdom en consumptie van de plaatselijke Arabische elites evengoed de vurige revolutionaire gevoelens van de islamisten verder kunnen aanwakkeren.

Wat je in Abu Dhabi, in tegenstelling tot het veel flitsender Dubai, niet ziet is het soort uitgaansleven waartegen de islamisten zo graag hun bommen richten: luide discotheken vol swingende buitenlanders, casino’s en bars. Het openbare leven in deze maatschappij is doorgaans bezadigder en speelt zich meer af in de winkelcentra. Zoals mijn Pakistaanse vriend zei: ‘De mensen hier zijn met één sprong van de bazaar naar het winkelcentrum gegaan.’

Op een paar minuten rijden – in Abu Dhabi gaat niemand te voet – van het Emirates Palace ligt onder een gigantisch tentvormig dak de Marina Mall, het grootste winkelcentrum van Abu Dhabi. Daar gaat men na zonsondergang met het gezin uit eten: Italiaanse hapjes of Afrikaanse, Chinese of Libanese gerechten. Mannen roken waterpijpen in elegante cafés. Jonge vrouwen in zwarte boerka’s snuffelen bij Bulgari, Gucci, Coah of Fendi. Sommigen bedekken hun gezicht, anderen dragen hun boerka nonchalanter en laten onder het zwarte gewaad een glimp van een zijden jurk of jeans zien. Er was een ‘Koop-en-Win-wedstrijd’ voor het winkelpubliek, waarbij twee Mercedessen ML uit 2007 te winnen vielen. Ander fraais is nog in aanbouw, zoals een skipiste, een sneeuwkoepel, een ijsbaan en bowlingbanen. Omdat het ramadan was, was het geheel versierd als een Midden-Oosten-themapark, met palmen in feeërieke belichting, chique gebedshalletjes en winkels ingericht als Arabische soeks.

Het deed me denken aan vergelijkbare plekken in Singapore en China. Kapitalisme leidt niet automatisch tot democratie, maar wat consumptie betreft kan men – althans als men geld heeft – vrij kiezen. Al draagt iemand een jurk van Fendi, openlijk of onder een kuise boerka, ze hoeft daarom nog niet seculier of vooruitstrevend te zijn.

In Abu Dhabi en elders in het Oosten en het Midden-Oosten betekent rijkdom dat mensen naar believen een keuze kunnen doen uit wat de westerse wereld te bieden heeft. Kapitalisme en een feodale dictatuur, tassen van Prada en de orthodoxe islam. De afgelopen driehonderd jaar heeft het Westen anderen zijn normen opgelegd, ten goede of ten kwade. Nu beschikken sommige van die anderen over de financiële middelen om die normen af te wijzen en toch van hun rijkdom te genieten.

Abu Dhabi is waarschijnlijk niet de toekomst; het is een toekomstfantasie, een glinsterend modern themapark van moderniteit, waar alles wat niet te beheersen valt wordt geweerd – een autoritair Disneyland met moskeeën. Toch begint iets van die cultuur onze wereld al te kleuren – een cultuur van eindeloos shoppen, van strak geregisseerde ceremonies à la Olympische Spelen, van voor de massatoerist opgedofte geschiedenis en van dag en nacht doorgaand vermaak dat de neiging tot eigenzinnigheid afstompt. Het idee dat dit zou kunnen lukken lijkt nog het meest aannemelijk in relatief kleine oorden, zoals Singapore en de Golfstaten. De rest van de wereld is te chaotisch, te gewelddadig en te arm om te voldoen aan utopische droombeelden van een volmaakte orde. En ik denk dat dat een zegen is.