En toen daalde Nijinski neer op aarde

Jan Van Loy: De heining. Nieuw Amsterdam, 158 blz. € 17,50

Jef Aerts: Rue Fontaine d’Amour. De Bezige Bij, 192 blz. € 16,90

Rondom de inmiddels ook in Nederland prominente Nieuwe Belgen (Mortier, Verhulst, Brijs, Verbeke, De Coster) beweegt zich een veel grotere groep schrijvers die zich snel verwijderen van het clichébeeld van de doorregende dorpsroman dat de Vlaamse literatuur nog altijd aankleeft. Twee van hen, Jan Van Loy en Jef Aerts, komen deze herfst met stedelijke romans: boeken waarin geen tractor of vee te bekennen is en waarin bovendien thema’s als migratie, veiligheid en sociale cohesie een belangrijke rol spelen – al zijn het niet de enige thema’s.

Bij Jan Van Loy is dat geen verrassing: in zijn debuut Bankvlees (2004) portretteerde hij twee zelfbewuste mannen aan de Antwerpse zelfkant, in Alfa Amerika (2005) bouwde hij die voorliefde voor duistere spanning verder uit. De derde Van Loy, De heining, sluit daar naadloos bij aan: een yuppenkoppel is het stadse burengerucht beu en verhuist naar een villa in een gated community.

Daar valt het tegen: ondanks de hekken om de villa’s is de veiligheid er schijn. Van Loy schetst een beeld van totale desintegratie onder het oog van de bewakingscamera’s. De omheinde buren kunnen maar niet tot een waardevolle coëxistentie komen, en ook het huwelijk van zijn hoofdpersonen blijkt niet bestand tegen de heerlijke nieuwe omgeving. Van Loy vertelt het verhaal met gevoel voor spanning, symboliek en detail, maar daar blijft het bij, helaas. In weerwil van de hekken, de camera’s en de verdwijning van een kind uit de speeltuin wordt De heining nergens een roman die onder je huid kruipt. Dat heeft veel te maken met het relaxte en sympathieke karakter van de hoofdpersoon die alles doodkalm doorstaat. Zo is er veel invoelbaar in deze roman, maar net niet de drijvende kracht van de sociale processen die Van Loy beschrijft: angst.

Heel anders is dat in Rue Fontaine d’Amour, de vierde roman van Jef Aerts. Daarin voel je vanaf de eerste pagina de angst van de hoofdpersoon, het vijftienjarige bijna-vrijgevochten meisje Lize die graag op het dak van het ouderlijk huis in Brussel zit. Nu ja, ouderlijk huis: moeder is jaren geleden naar een minnaar gevlucht, oudere zus Lena werkt als stripper en verblijft in het groezeliger deel van de hoofdstad en vader is vooral in de war. Dat uit zich bij deze danswetenschapper en Nijinsky-deskundige aanvankelijk vooral in de welwillendheid waarmee hij twee angstaanjagende Albanezen in huis haalt. Hij noemt ze engelen, zijn jongste dochter vreest dat ze kwaads in de zin hebben – met haar vader of met haar.

Rue Fontaine d’Amour is in de eerste plaats het afwisselend felle en gevoelige relaas van een meisje dat zich wil afzetten tegen de resten van haar gezin, maar dat zich ook bij tijd en wijle ergens aan wil vastklampen. Op de achtergrond werkt Aerts andere thema’s uit, zoals migratie en prostitutie. Dat doet hij soepel, al is een zekere voorspelbaarheid de grote lijn van de roman niet vreemd. Ook is bijvoorbeeld de omslag (ten goede) van Lizes beeld van de Albanezen erg bruusk.

Daartegenover staat dat de roman in het laatste deel een reeks opmerkelijke theatrale en symbolische wendingen krijgt rondom de vader van Lize. Die maakt een ontwikkeling door die je bij oppervlakkige beschouwing kunt aanduiden als een midlifecrisis, maar die door Aerts breder wordt gemaakt: de man die zijn leven heeft gevuld met de bestudering van de dagboeken van de grote danser Nijinsky (de afgeleide van een afgeleide dus) ziet daar de futiliteit van in en verliest zich in een woeste dans met zijn omgeving.

Aerts zet de bij uitstek kunstmatige sfeer van danswereld en dansinstituut (‘Dit is een balletinstituut. Een rechte rug voor alles, al valt er naast je een ballerina dood [...] Kijk, hoe iedereen hier de billen knijpt’) af tegen de queeste naar echtheid van de vader. Die vinden we terug in het dakraam van zijn eigen instituut, nadat hij de muren heeft beklad met de tekst ‘je suis la vie’. In de gedurfde apotheose brengt Aerts de hogere pretenties van de danskunst knap in verband met de aarde en laat hij in een moeite door zien wat de verbeelding vermag in een verder realistische roman.

Dat klinkt cryptisch, maar daarin schuilt ook de wonderlijke bekoring van Rue Fontaine d’Amour, waarin Aerts voor geen aards thema terugschrikt en bovendien een fraaie verkenning geeft van een van de dilemma’s van de kunst: hoe spiritueel te zijn zonder de aarde te verlaten.

    • Arjen Fortuin