Wie belt op 5 november even met Washington?

De situatie in Afghanistan begint onbeheersbaar te worden en bedreigt de stabiliteit van de NAVO. Een extra trans-Atlantische inspanning is nodig, vindt E.P. Wellenstein.

Terwijl bij ons begrijpelijk de aandacht uitgaat naar de mate van succes van de Nederlandse inzet in de Afghaanse provincie Uruzgan, wordt de meerwaarde daarvan uiteindelijk elders bepaald.

De voortekenen zijn niet geruststellend: strijders uit Irak verplaatsten zich nu naar Afghanistan – om maar niet te spreken van een onstuitbare influx uit Pakistan. De Amerikaanse militaire surge in Irak had pas succes, toen de Iraakse sunnieten substantiële geldelijke steun en bewapening kregen om zich tegen de extreem gewelddadige ‘Al-Qaeda in Mesopotamië’ in hun midden te keren. De regering-Zadari in Pakistan probeert nu in de tribale noordwestelijke grensgebieden hetzelfde via de stamoudsten, maar bij gebrek aan middelen en moderne bewapening delven deze het onderspit tegen de extremisten in hun midden. De regering-Karzai in Kabul verliest snel aan gezag, de onveiligheid neemt zelfs daar snel toe. De door de VN gemandateerde ISAF-missie dreigt zo de greep op de ontwikkelingen te verliezen. Voor de NAVO is dit een eerste echte test case voor grootschalig optreden ver van de ‘Euro-Atlantic area’ waarvoor het bondgenootschap oorspronkelijk werd opgericht. Er staat dus veel op het spel.

Dat juist nu de ambassadeur en de militaire commandant in Afghanistan van het Verenigd Koninkrijk hebben laten weten te vrezen voor een uitzichtloze, toenemend gewelddadige patstelling, is omineus. Zij zien in het steeds verder opvoeren van de militaire capaciteiten ter plaatse geen uitweg zonder een politieke herschikking in het land zelf, waar interne krachten, Talibaan geheten of niet, gemobiliseerd moeten worden tegen extremisme en zelfvernietiging. Ook Karzai zelf spreekt daar over, doch heeft er noch het prestige, noch de middelen voor.

De nieuwe Amerikaanse president zal, te midden van alle problemen die hij erft van George W. Bush, door zijn militaire commandanten terstond geconfronteerd worden met een strategische keuze. Aan de orde is dan het inzetten van ettelijke brigades extra, waarbij de militaire taak volgens sommige voorstellen uitgebreid zou moeten worden naar het uitroeien van papaverteelt waar die – maar wie stelt dat vast? – aan de Talibaan ten goede komt. De NAVO-bondgenoten zouden dan een navenante extra inspanning moeten leveren.

Dit scenario dreigt tot een onoverbrugbare kloof binnen de NAVO te gaan leiden. En is bovendien gevaarlijk. De Duitse bondskanselier Merkel, maar ook de Franse president Sarkozy, hebben onlangs nog – evenals ons land eerder – hun goede wil getoond door ieder, tegen binnenlandse weerstanden in, ongeveer duizend man extra in te zetten. Dat verbleekt bij de Amerikaanse denkbeelden van vele duizenden; een orde van grootte ver buiten het politieke bereik van de Europese bondgenoten – àls zij al van de effectiviteit van zo’n militaire surge overtuigd zouden zijn. Doch de overtuiging wint juist veld, ook in het Verenigd Koninkrijk, dat eerder een diplomatieke surge, een voorwaarde voor een redelijke uitweg uit deze verwarde situatie is.

Hoe tijdiger na de Amerikaanse presidentsverkiezing door de Europese bondgenoten, zowel in Washington als in het NAVO-beraad in Brussel, kenbaar wordt gemaakt waar hun grenzen liggen en wat hun inzichten in de te volgen koers zijn, hoe kleiner de kans dat de nieuwe president zich naast de kredietcrisis ook nog geconfronteerd ziet met een crisis binnen de NAVO, plus een onbeheersbaar wordende ontwikkeling in Afghanistan. Te pogen dat te voorkomen is een extra trans-Atlantische diplomatieke inspanning waard.

E.P Wellenstein was onder andere directeur-generaal bij de Europese Gemeenschap.