Landen moeten samenwerken

De financiële crisis is weer een graadje gevaarlijker geworden. De valutamarkten zijn flink van slag. De autoriteiten moeten nu een aantal forse en delicate ingrepen verrichten – zoiets als het beoefenen van microchirurgie in een vliegtuig dat zich in turbulente luchtlagen bevindt.

De waarde van de yen is sinds augustus met 40 procent gestegen ten opzichte van die van de euro, waarvan 30 procent in oktober. In die maand is de Australische dollar met 25 procent en het Britse pond met 16 procent gedaald ten opzichte van de Amerikaanse dollar. Verschuivingen van deze omvang zijn alarmerend als het om de aandelenmarkten gaat, maar ronduit angstaanjagend in het geval van de valutamarkten, omdat ze het vrijwel onmogelijk maken om exporten of importen van een prijskaartje te voorzien.

Wat is hier aan de hand? Vooral het tempo van de afbouw van schuldposities is zich aan het versnellen. Met name de zogenoemde carry trade – goedkoop lenen waar de rente laag is, zoals in Japan, en dure leningen verstrekken waar de rente hoog is, zoals in Australië en de eurozone – komt plotseling ten einde.

De afwikkeling van deze transacties heeft de wisselkoersen zodanig door elkaar geschud dat handelaren meer margin calls (eisen tot verhoging van het onderpand op geleend geld waarmee is belegd) te verwerken krijgen, waardoor de druk toeneemt. Dan is er nog de angst. Beleggers verkopen de valuta’s van landen die buitenlands kapitaal importeren – waardoor valutacrises ontstaan in Oost-Europa en Korea.

Het mengsel van het afbouwen van de schuldposities en angst heeft de aandelenmarkten tot een soort vrije val aangezet. De Japanse Nikkei-index staat op het laagste punt sinds 1982, de MSCI-index van niet-Japanse Aziatische aandelen heeft in oktober 33 procent ingeleverd en de westerse aandelenmarkten dalen snel.

Terwijl bedrijfskredieten, valuta’s en aandelen in moeilijkheden verkeren, zijn overheidsobligaties nog steeds sterk. Dat is een opluchting, omdat de markten zich tot de overheden van de wereld wenden om iets te doen aan de stabilisatie van de geldstromen tussen banken, bedrijven en overheden.

Om de valutacrisis een halt toe te roepen, zullen de overheden van de wereld moeten samenwerken om doelstellingen voor de wisselkoersen vast te stellen en te verdedigen. Dat zal waarschijnlijk vereisen dat landen met grote voorraden aan buitenlandse valuta’s een deel van dat geld inzetten voor bredere wereldwijde doelen, en dat landen die te veel geld uitgeven – zoals de Verenigde Staten en Engeland – devaluaties en lagere levensstandaarden accepteren.

Het zal niet makkelijk zijn, maar het alternatief – een ineenstorting van het mondiale handelssysteem – is nog veel erger.

Edward Hadas