Hoe hoog zijn bergen, hoe rood de zon?

Of iets hoog is, of heel geel, bepalen mensen niet alleen door vergelijking met een gemiddelde. Er zijn wel zes andere referentiepunten, ontdekte dr. Elena Tribushinina.

Elena Tribushinina (Foto Jørgen Krielen) © Jorgen Krielen / Amsterdam, 27-10-2008 / Elena Trebushinina
Elena Tribushinina (Foto Jørgen Krielen) © Jorgen Krielen / Amsterdam, 27-10-2008 / Elena Trebushinina Krielen, Jorgen

Wanneer is iets ‘hoog’? Als je dat aan mensen vraagt, zeggen ze meestal: als het hoger is dan gemiddeld. Ook in woordenboeken worden woorden als hoog, laag, groot en klein vaak zo gedefinieerd. Deze woorden zouden hun betekenis krijgen door het voorwerp waarover gesproken wordt te vergelijken met een denkbeeldig gemiddeld (prototypisch) exemplaar.

De Leidse taalwetenschapper Elena Tribushinina promoveert vandaag op de betekenis van dit soort woorden. Ze bestudeerde het gebruik ervan in een natuurlijke context en merkte dat er een stuk of zes, zeven verschillende soorten referentiepunten gebruikt worden – waarvan het prototypische exemplaar er slechts een is.

Tribushinina stond met mensen in de keuken of in de tuin en vroeg: kun je de hoogte van de objecten die je ziet beschrijven? Vervolgens vroeg ze: waarom is dat hoog (of laag)? Zo kwam Tribushinina op zes à zeven referentiepunten.

Want als mensen een hekje in de tuin hoog vonden, gaven ze daar heel uiteenlopende redenen voor. Omdat het hoger was dan een gemiddeld hekje. Of hoger dan een ideaal hekje of dan de hekjes eromheen. Of omdat het hoog was in vergelijking met andere voorwerpen eromheen of in vergelijking met het menselijk lichaam. Of omdat je er niet overheen kon kijken.

Soms werden er meerdere referentiepunten tegelijk gebruikt: bijvoorbeeld ‘hoger dan ik’ (lichaamslengte als referentiepunt) én ‘ik kan mijn buren niet zien’ (functioneel referentiepunt).

Dat kan een probleem opleveren. Want als mensen zoveel verschillende referentiepunten kunnen gebruiken, hoe weet de ander dan wat iemand bedoelt? Ligt hier niet een enorme spraakverwarring op de loer?

„Dat valt heel erg mee”, zegt Tribushinina. „Ik heb ook gekeken naar grote hoeveelheden bestaand tekstmateriaal – geschreven en gesproken teksten, zowel Engels als Russisch. Duizenden voorbeelden. In de context is het vaak wel duidelijk welk soort referentiepunt gebruikt wordt.”

Een mooi voorbeeld van hoe mensen meerdere referentiepunten tegelijk kunnen gebruiken, vond ze in het Russisch. „In het Russisch, en ook in andere Slavische talen, heb je naast laag (nizkij) ook niet-hoog (nevysokij). Het voorvoegsel ne- betekent niet- of on-. Er zijn in het Russisch heel veel van die woorden: niet-klein, niet-groot, niet-hoog.”

Tribushinina vroeg zich af hoe dat kon: dat je zowel laag als niet-hoog hebt. Als twee woorden precies hetzelfde betekenen – en er is verder geen verschil in affectieve waarde – dan is de taalkundige regel dat een van die twee uit de taal verdwijnt. Maar in dit geval gebeurt dat dus niet. Laag en niet-hoog worden allebei veel gebruikt.

„Vraag je aan mensen: wat is het verschil tussen laag en niet-hoog, dan krijg je daar geen duidelijk antwoord op. Ik ben zelf Russisch, maar ik zou het onderscheid tussen die twee ook niet weten.”

Toch is er een verschil. Tribushinina deed een eenvoudig experiment: Russisch sprekende mensen kregen een aantal situaties met objecten voorgelegd en moesten kiezen welke beschrijving beter paste: laag of niet-hoog. Tachtig procent koos voor niet-hoog als het object groter was dan een mens. En voor laag als het kleiner was dan een mens.

Tribushinina concludeert daaruit dat het gebruik van nizkij en versus nevysokij gestuurd wordt door twee referentiepunten. Beide woorden worden gebruikt voor iets dat lager is dan gemiddeld. Het subtiele onderscheid zit hem in het tweede referentiepunt: de grootte van het menselijk lichaam. Tribushinina : „Het leuke is dat mensen zich hier niet bewust van zijn, maar het dus wel zo doen.”

Ze keek ook naar adjectieven die kleur beschrijven. „Kleur wordt altijd genoemd als de prototypische categorie bij uitstek: iedereen heeft een ideaal geel en ideaal rood in zijn hoofd zitten. Of iets rood, roder of minder rood is, bepaal je door het te vergelijken met dat prototypische rood. Mensen zijn het daar in grote mate over eens: wat ideaal rood is. Dat is niet afhankelijk van de culturele achtergrond. Het is een fysiek gegeven.”

Toch speelt er meer dan alleen dat. Als je mensen vraagt om kleuren te definiëren, doen ze dat altijd aan de hand van natuurlijke referentiepunten: sneeuw (wit), gras (groen), bloed (rood). „Dat blijkt wél cultuurgebonden te zijn. Nederlanders zeggen: zo geel als de zon, maar Russen zeggen: zo rood als de zon. Soms komt de kleur van het natuurlijke referentiepunt ongeveer overeen met de prototypische kleur, bij bloed bijvoorbeeld. Maar heel vaak niet. Vuur wordt bijvoorbeeld gezien als exemplarisch rood, maar is in werkelijkheid vaak oranje, blauw, geel.”

Ook bij een woord als hoog heb je van die exemplarische objecten. Vraag je ernaar, dan komen mensen meestal met bergen en torens. Omdat bergen en torens eigenlijk altijd hoog zijn, komen de combinaties ‘hoge bergen’ en ‘hoge torens’ in gewoon taalgebruik niet veel voor: ‘hoge’ is daarin overbodig.

Maar als volwassenen met kinderen praten gebruiken ze die combinaties wel heel veel. En jonge kinderen zelf hebben het ook vaak over ‘hoge bergen’ en ‘hoge torens’.

Tribushinina: „Het is culturele kennis dat torens en bergen prototypen van hoog zijn. Volwassenen proberen als het ware die culturele kennis over te dragen. Zo leggen ze kinderen uit wat hoog betekent.”