Het 'joodse' huisdier moest ook dood

In de ramsj kocht ik het boek LTI, de taal van het Derde Rijk van Victor Klemperer. LTI staat voor Lingua Tertii Imperii. Klemperer laat in dit boek uit 1947 zien hoe de nazipropaganda de Duitse taal beïnvloedde. Van Klemperer, een joodse filoloog in Duitsland, kende ik tot dusver alleen zijn oorlogsdagboek Tot het bittere eind.

Ik stuitte in LTI op deze schrijnende alinea: „Later werden onze huisdieren, katten, honden en zelfs kanaries, dan ook afgepakt en gedood, niet sporadisch en uit minachting door een enkeling, maar officieel en systematisch, en dat is een van de gruwelijkheden waarover geen enkel proces van Neurenberg verslag doet en waarvoor ik, als ik het voor het zeggen had, een torenhoge galg zou oprichten, ook al zou me dat de eeuwige gelukzaligheid kosten.’’

Dit is een veel minder bekende en beschreven kant van de jodenvervolging, begrijpelijk, want de historici hadden hun handen al vol aan de beschrijving en verklaring van de Holocaust. Toch zou je die gewetenloze en kennelijk óók systematische moord op wat honderdduizenden dieren moeten zijn geweest, eveneens tot de Holocaust mogen rekenen.

Hoe heeft Klemperer het in die dagen zelf ervaren? Hij wijdt er enkele indrukwekkende passages aan in Tot het bittere eind.

Op 15 mei 1942 schrijft hij: „Mevrouw Ida Kreidl (...) vertelde me over de nieuwste verordening en gaf die ons toen te lezen in het blad van de Joodse Gemeente: het is sterjoden en iedereen die met hen samenwoont, met onmiddellijke ingang verboden huisdieren (honden, katten, vogels) te houden, de dieren mogen ook niet ter verzorging aan derden worden gegeven. Dat betekent het doodvonnis voor Muschel (de kat van de Klemperers – F.A.), die we ruim elf jaar hebben gehad en waaraan Eva (de vrouw van Klemperer) zeer gehecht was. Hij gaat morgen naar de dierenarts om hem de angst van het opgehaald-worden en de gemeenschappelijke doding te besparen. Wat een lage en doortrapte gruweldaad jegens die paar joden. (…) Voor Eva is het altijd een houvast en een troost geweest. Ze zal nu minder weerstandsvermogen hebben dan tot dusver.”

Drie dagen later constateert hij: „Het aanstaande einde van Muschel drukt zwaar – ik wou dat het al voorbij was… (…) En het einde van onze kater is slechts een bijzonder vreselijke schok te midden van de vele en dagelijks toenemende benauwdheden.”

Ze staan voor een dilemma. Als ze wachten tot het inleveringsbevel van de gemeente arriveert, mogen ze de kat niet meer zelf laten afmaken. Maar stel nu dat het regime de volgende dag valt? Klemperer laat de beslissing aan Eva over. „Ze nam het dier in de nu inmiddels traditionele kartonnen kattedoos mee, ze is bij de doding aanwezig geweest die na een snelle narcose plaatshad – het dier heeft niet geleden. Maar zíj lijdt.”

De grootste wreedheid school wat mij betreft in het verbod de dieren aan derden te geven. Daar hadden mensen als Klemperer en zijn vrouw misschien nog enigszins mee kunnen leven. Maar nee, de dieren moesten ook verdelgd, want ze hadden omgang gehad met joden en waren dus besmet.

Dat vond Adolf Hitler, die zelf zó dol was op zijn herdershond Blondi dat hij haar, net als Muschel, liet doden toen de vijand nabij was.