Giacometti zocht essentie onder vlees

Alberto Giacometti, ‘Lopende Man I’, 1960. Brons, 180,5 bij 23,9 bij 97 cm.
Alberto Giacometti, ‘Lopende Man I’, 1960. Brons, 180,5 bij 23,9 bij 97 cm.

Tentoonstelling Alberto Giacometti. t/m 8 feb in de Kunsthal, Westzeedijk 341 Rotterdam. Geopend dinsdag tot en met zaterdag 10-17 uur, zondag 11-17 uur. Informatie via 010 4400301 of op www.kunsthal.nl

Alberto Giacometti (1901-66) was een rare snuiter. Een kunstenaar die snel beroemd en rijk werd, maar in een koud en achenebbisj hok bleef wonen. Iemand die meer rookte dan at, en pas na nachtelijke diners aan het werk ging. Zijn vrouw, die hij niets gunde, zijn maîtresse, die hij alles gunde, en zijn broer, moesten urenlang in stilte poseren terwijl hij bijna elke potloodlijn weer uitgumde. Zijn portretkunst was een strijd, een poging om de mens áchter het gezicht te verbeelden.

Ondanks deze worstelingen zou zijn veertigjarige loopbaan honderden kunstwerken opleveren, vooral mensfiguren, in brons en op doek. Al jaren geldt de Zwitser onder kunsthistorici als een van de twintigste-eeuwse meesters. Maar het grote publiek kent hem niet zo, zeker niet in Nederland. De Kunsthal wil daar verandering in brengen. Met 140 werken – helaas zonder enkele van zijn topstukken – brengt het een van de grootste retrospectieven die hem te beurt zijn gevallen.

Zwitserland was in de jaren twintig een dooie boel en dus trok Giacometti naar het bruisende Parijs. Daar sloot hij zich aan bij de Surrealisten. De Kunsthal begint met zijn objecten uit die tijd: totem-achtige mensen, maskers op pootjes, lepelvormige vrouwen, lichamen in rasters – ‘koperen wasrekjes’, schreef een kunstcriticus in die jaren zuur. Bizarre objecten met dubbelzinnige humor – dat is helemaal Parijs jaren twintig. Maar het zijn dezelfde grappen als van Ernst en Miró.

Giacometti’s eigen stijl begint in 1935 als hij zich gaat toeleggen op de portretkunst. André Breton, de ietwat totalitaire leider van de Surrealisten, ziet daar niets in en royeert hem. Maar dat is voor hem geen ramp. Giacometti vindt nieuwe, serieuzere vrienden als Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre. Hij stort zich op wat een lange en serieuze zoektocht naar de essentie van de mens wordt. De tijd van grapjes is voorbij.

Die nieuwe richting vormt de hoofdmoot van de tentoonstelling in de Kunsthal. Muur na muur zie je die koppen die in de loop der jaren Giacometti’s handelsmerk zijn geworden: korstige, dunne gezichten met starende ogen. Ze hebben zo weinig vlees dat ze lijken op te doemen uit een dikke mist. Later krijgen die hoofden een lijf, dat stokstijf stilstaat of voorover helt om een stap te wagen.

Het is duidelijk dat Giacometti zich losmaakt van de bekende avant-gardes om zich vast te bijten in een eigen idioom. Maar waarom moet het grote publiek hem kennen? Wat is zijn belang geweest? Het meest aangehaalde antwoord komt van Jean-Paul Sartre, die in Giacometti een mede-existentialist dacht te herkennen. Hij schreef over de ‘absolute afstand’ van zijn figuren die in staat zijn de ‘leegte’ in zich op te nemen. Zelf sprak Giacometti deze existentialistische uitleg van zijn werk altijd met klem tegen. Hij had het over een gekmakende zoektocht naar wat hij ‘de gelijkenis van de mens’ noemde, een onderzoek naar waarneming.

Een beroemde anekdote gaat over een opdracht die Giacometti kreeg van een bank om een sculptuur te ontwerpen. „Waar is het beeld?” vroeg de opdrachtgever die hem van het vliegveld haalde. ‘Hier’, zei Giacometti, die een lucifersdoosje uit zijn broekzak haalde. Worstelend met waarneming en gelijkenis was het formaat van de sculptuur geslonken: omdat mensen in de verte altijd zo klein lijken.

De Kunsthal heeft een paar kernbegrippen uit zijn oeuvre, zoals leegte en fragiliteit, uitvergroot. Enkele sculpturen staan eenzaam in de ruimte, andere tronen sacraal in een nis. Tussendoor geven lange rijen tekeningetjes het beeld van een monomane zonderling. Deze show – monomaan, religieus – voedt de mythe van een ploeterend en getourmenteerd genie.

Het is een mooi romantisch verhaal. Maar het blijft een mythe. Jezelf eindeloos herhalen is niet alleen een teken van gedrevenheid. Dit overzicht van zijn werk wekt de indruk dat Giacometti een keer klaar was maar dat zowel kunsthistorici als hijzelf dat niet wilden inzien.