Gevaren van staatssteun

Toen de Franse minister van Financiën, Lagarde, een paar honderd dinerende bankiers twee weken geleden in Washington vertelde dat overheden hun aandeelhouder zouden worden, barstten ze spontaan in applaus uit. In tijden van crisis kan de verhouding tussen Staat en bedrijfsleven drastisch omslaan. Wereldwijd gieten staten honderden miljarden euro’s en dollars in de financiële sector. Ze overwegen of hebben al besloten garant te staan voor bankkredieten aan het bedrijfsleven, mochten banken de risico’s schuwen. Een voorbeeld is in Nederland de (bescheiden) verhoging van deze garantstelling door minister Van der Hoeven (Economische Zaken, CDA). In Duitsland en de VS vraagt de auto-industrie om meer steun. En in Frankrijk suggereerde president Sarkozy de oprichting van een staatsinvesteringsfonds om zonodig belangen te kopen in Franse bedrijven.

De opsomming verraadt het verloop van de financiële crisis. Een nauwelijks waarneembare storm in de krochten van het financiële stelsel werd een crisis in het gehele banksysteem. Beleggingen waren het volgende slachtoffer en nu volgt de reële economie: gewone burgers en bedrijven. Nu een zware economische recessie niet mag worden uitgesloten, verlegt zowel de aandacht van de overheid als de vraag naar staatsingrijpen zich naar de economie van alledag. De Vereniging Eigen Huis vraagt aandacht van de overheid voor het risico van stagnatie op de woningmarkt. Huiseigenaren dreigen een daling van de prijzen mee te maken na anderhalf decennium lang slapend hun woningwaarde te hebben zien groeien. Moet de overheid er nu voor zorgen dat dit niet gebeurt? Over het privatiseren van de winst en het socialiseren van het verlies gesproken.

De tijden zijn uitzonderlijk. Overheidssteun was en is onontbeerlijk bij het overeind houden van de financiële sector. Mocht de kredietverlening aan burgers en bedrijven opdrogen, dan kan ook dat zeer schadelijk zijn. Overheidsgaranties kunnen nodig blijken. Maar dat de economische neergang uitzonderlijk zwaar wordt, is nog niet zeker. Een recessie is onfortuinlijk, maar hoort bij het gangbare reilen en zeilen van de economie en het proces van ‘creatieve destructie’ dat de lucht klaart voor nieuwe initiatieven en bedrijvigheid.

Bovendien verstoort overheidssteun de concurrentieverhoudingen, zowel binnen de landsgrenzen als tussen landen. Banken en verzekeraars die geen gebruikmaken van staatssteun, vrezen al voor oneigenlijke competitie. En een nationaal strategisch plan naar Franse snit kan tot gevolg hebben dat andere landen gedwongen worden dit voorbeeld te volgen. Protectionisme ligt in tijden van economische tegenwind toch al op de loer. Industriële steun onder het mom van de kredietcrisis maakt dat gevaar alleen maar groter. De huidige crisis moet worden aangegrepen om inrichting en regulering van het internationale financiële stelsel te vernieuwen. Dat is iets heel anders dan de Staat duurzaam een grotere rol in de economische bedrijvigheid te verschaffen. Elke steunmaatregel moet per definitie tijdelijk zijn.