Geschiedenis moet weer een verplicht vak worden

Historisch besef wordt niet bevorderd door een duur Nationaal Historisch Museum, maar door goed en verplicht langdurig geschiedenisonderwijs, vindt Maria Grever.

In hun artikel over gebrekkig historisch besef in de samenleving wijzen de historici Jan Bank en Piet de Rooy op enkele relevante oorzaken (Opinie & Debat, 4 oktober). Echter, historici moeten de hand in eigen boezem steken.

Lange tijd hebben universitaire historici zich nauwelijks geïnteresseerd voor het geschiedenisonderwijs. Mede daardoor kon het vak geschiedenis met de invoering van de Mammoetwet in 1968 tamelijk geruisloos tot keuzevak in de bovenbouw gedegradeerd worden waardoor ruim 60 procent van de Nederlandse leerlingen na hun 15e jaar tot op de dag van vandaag geen geschiedenisles krijgen.

Iemand van de oude garde die wél regelmatig opkwam voor het schoolvak geschiedenis was Pieter Geyl. Deze befaamde historicus protesteerde in 1946 tegen een vermindering van het aantal uren voor geschiedenis op het gymnasium. Geyl hekelde vooral het feit dat de maatregel zonder overleg met betrokken leraren en rectoren tot stand was gekomen. Hij behoorde tot een generatie hoogleraren die vanzelfsprekend de band onderhield met het onderwijs omdat zij zelf als leraar hadden gewerkt en schoolboeken schreven. Die vanzelfsprekende band verdween. De druk op het wetenschappelijk publiceren nam toe, de scheiding tussen onderwijs en onderzoek werd groter.

Nog niet zo lang geleden wilden sommigen het centraal schriftelijk eindexamen voor geschiedenis afschaffen, niet wetend dat je het vak dan helemáál onderuithaalt. En zo kon het gebeuren dat bij de Tweede Fase onder leiding van PvdA-staatssecretaris Tineke Netelenbos het vak geschiedenis aanvankelijk niet voorkwam. Het megalomane clustervak Mens- en Maatschappijwetenschappen zou geschiedenis overbodig maken. Het is aan de Vereniging van Geschiedenisdocenten in Nederland te danken – niet aan universitaire historici – dat het vak in twee van de vier profielen van de bovenbouw van havo/vwo werd opgenomen. Eerst met heel weinig uren; na veel getouwtrek kreeg het vak er uren bij. Maar geschiedenis bleef een keuzevak voor leerlingen na hun 15e jaar. De situatie op het vmbo is nog dramatischer: na hun 14e jaar krijgt ruim 85 procent geen geschiedenis meer, tegen 14,9 procent die het nog wel krijgt: 16.500 leerlingen in heel Nederland van een groep van in totaal 112.500 leerlingen. Ergo: 96.000 leerlingen krijgen na hun 14e geen geschiedenis.

Als geschiedenis voor veel leerlingen een schoolvak is dat men snel kan deleten, zoals Bank en De Rooy schrijven, dan komt dat omdat de meeste leerlingen in Nederland heel kort geschiedenisles hebben gehad. Bovendien is geschiedenis in de onderbouw inmiddels verdampt in wereldoriëntatie. Wie historisch besef werkelijk wil bevorderen, kan beter het vak verplicht maken en de opleiding van leraren verbeteren dan een duur Nationaal Historisch Museum bouwen met vijftig canonvensters.

Bank en De Rooy merken terecht op dat er meer aandacht moet komen voor de didactiek: „geschiedenis (blijkt) vooral een lastiger vak te zijn dan doorgaans wordt aangenomen”. Maar juist dit specialisme werd door universitaire historici niet serieus genomen. Een leerstoel vond men overbodig, in tegenstelling tot Duitsland en België. Om historisch besef te bevorderen moeten we meer weten van de didactiek, zoals over de invloed van geschiedenislessen op leerlingen van verschillende leeftijden en intelligentie. Wat zijn effecten van chronologieën leren, verhalen vertellen, historisch redeneren? Om die reden heeft de Erasmus Universiteit sinds kort een leerstoel geschieddidaktiek.

Inmiddels is er veel publieke belangstelling voor geschiedenis vanuit de media. Dat valt toe te juichen. Kennis over het verleden bij jongeren komt immers niet alleen door scholen tot stand. Maar die zijn wel de belangrijkste leveranciers. Het feit dat universitaire historici en leraren nu meer contact met elkaar hebben is een winstpunt. Daarom moet ook de manier waarop jongeren historische kennis en inzichten verwerven worden onderzocht. Dat bevordert de kwaliteit van het leraarschap.

Maar ook de kwantiteit moet versterkt worden. Het lijkt alsof de media in die zin meer belangstelling tonen voor geschiedenis dan het ministerie van OC&W. Heel leuk die anekdotes over gebrekkige historische kennis, maar als mensen zo weinig op school is bijgebracht, dan kun je ze dat niet verwijten.

Maria Grever is hoogleraar theorie van de maatschappijgeschiedenis en directeur van het Centrum voor Historische Cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.